Menu
Object 4-1-13 zuidzijde


'Gloria'


Luxuria Do Not Touch - sidetable


Muurkeien


 

Static items

Geschiedenis van de NKvB, Eva Mendlik

In memoriam bij het overlijden van Kringlid Eva Mendlik (5 mei 1928 – 30 december 2014)
Gerhild Tóth-van Rooij

Eva Mendlik was voor mij een heel bijzondere vrouw. Daarover later meer omdat ik voor ons gezin, Galerie Bloemrijk Vertrouwen en namens de vakverenigingen Arti & Amicitiae en de NKvB spreek. Wij waardeerden allemaal haar zachtmoedige, markante persoonlijkheid en kunst. Als kleindochter van schilder Oszkár Mendlik en beeldhouwster Julie Mijnssen, beiden Prix de Rome-winnaars, maakte kunst al vroeg deel uit van haar leven. Zelf werd ze opgeleid aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam bij Jan Bronner en Piet Esser en had tijdgenoten als Jan Wolkers. Eva studeerde daarna aan de École Nationale Supérieure d'Architecture et des Arts Décoratifs (nu Art Visuel) te Brussel bij Oscar Jespers. Na anderhalf jaar in Italië en Frankrijk werkte zij bij Giacomo Manzù in Salzburg en Milaan. Ze keek over de grenzen.

Lees meer: Geschiedenis van de NKvB, Eva Mendlik

Boek Muurvast & gebeiteld

1muurvast fotoBoek Muurvast & gebeiteld, beeldhouwkunst in de bouw 1840-1940, Ype Koopmans

De beeldhouwkunst en de bouwkunst hebben zich in Nederland in nauwe relatie tot elkaar ontwikkeld. Met de opkomst van de neogotische bouwkunst kwam halverwege de negentiende eeuw een herwaardering op gang van de beeldhouwkunst ingepast in de architectuur. Geïnspireerd door de architect P.J.H. Cuypers ontstond een hausse aan sculptuurtoepassingen voor architecten van verschillende richtingen. Het was nagenoeg ondenkbaar dat een belangrijk gebouw werd opgetrokken zonder een rijke sculpturale detaillering. Beeldhouwers (en kringleden) als Joseph Mendes da Costa en Lambertus Zijl werden omstreeks de eeuwwisseling ingeschakeld door de architect H.P. Berlage (Erelid NKvB vanaf 1925). Hun samenwerking wordt vaak gezien als het eerste signaal van een moderne Nederlandse beeldhouwkunst. Haar grootste bloei kende de bouwbeeldhouwkunst in de periode tussen de wereldoorlogen. De architectuur - van de Amsterdamse School - gaf bijvoorbeeld volop werk aan beeldhouwers als Hildo Krop (indertijd voorzitter NKvB). De uitgave bestaat uit een tekstboek, dat aansluit bij het geïllustreerde deel over hetzelfde onderwerp (1994/1997). 

Lees meer: Boek Muurvast & gebeiteld

Kunstenaars van de Kultuurkamer C.Wesselink

20140414KultuurkamerClaartjeWesselinkLowresSamenvatting

Kunstenaars van de Kultuurkamer

Geschiedenis en herinnering

Claartje Wesselink

 

Dit onderzoek beschrijft de receptiegeschiedenis van Nederlandse beeldend kunstenaars die als gevolg van hun houding tijdens de Tweede Wereldoorlog als ‘fout’ bekend kwamen te staan. Het boek is opgezet in twee delen. Het eerste deel, Geschiedenis, omvat de eerste twee hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn gewijd aan (‘foute’) kunst en kunstenaars in bezettingstijd. Deel twee is getiteld Herinnering en bestaat uit de hoofdstukken drie en vier en een slotbeschouwing. Hierin staat de doorwerking van de oorlog in de naoorlogse kunstwereld centraal. Deze opzet maakt duidelijk dat historische gebeurtenissen in de herinnering vaak verdraaid, verdrongen of opgeblazen worden en laat zien hoe dit proces samenhangt met de collectieve herinnering en identiteit van een gemeenschap. 

Het eerste hoofdstuk geeft een beeld van de kunstwereld in oorlogstijd. Het nationaalsocialistische regime besteedde relatief veel geld aan de kunst: zij moest de bevolking overtuigen van het heil van de nationaalsocialistische ideologie. Aan de kunst werden strenge eisen gesteld: zij moest realistisch zijn en ‘volkse’ onderwerpen weergeven als het Hollandse landschap, het boerenbestaan, stedenschoon, stillevens en ‘arische’ personen. Kunstenaars waren verplicht zich aan te melden bij de Kultuurkamer, een nationaalsocialistische beroepsorganisatie die subsidies en materiaal verstrekte, exposities organiseerde en in het geweer kwam tegen de ‘kitsch’. Wie zich niet meldde, kreeg een beroepsverbod; joodse kunstenaars mochten geen lid worden van de Kultuurkamer. Het tweede hoofdstuk is gewijd aan de oorlogsgeschiedenissen van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, de schilders Henri van de Velde en Pyke Koch en de beeldhouwer Johan Polet. De bestuurders van Arti et Amicitiae collaboreerden vooral uit materiële overwegingen, Van de Velde was NSB’er en Koch sympathiseerde met het fascisme. Polet stond in de jaren twintig nog als links te boek, maar vatte later sympathie op voor het fascisme en nationaalsocialisme. In de oorlog was hij lid van de Kultuurraad, een prestigieus nationaalsocialistisch orgaan met een adviesfunctie binnen de cultuursector. Hoofdstuk drie beschrijft de zuivering van de kunstwereld na de bevrijding vanuit het perspectief van een vijftal invloedrijke instituties: de zuiveringsraad voor de beeldend kunstenaars, de in verzetskringen ontstane eenheidsorganisatie de Nederlandse Federatie van Beroepsverenigingen van Kunstenaars, het Amsterdamse Stedelijk Museum, de afdeling Kunsten van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) en de afdeling Kunstzaken van de gemeente Amsterdam. Het vierde hoofdstuk beschrijft hoe de in hoofdstuk twee geïntroduceerde kunstenaarsvereniging en kunstenaars functioneerden in de naoorlogse kunstwereld en hoe hun werk (postuum) werd gewaardeerd.

Zo ontvouwt zich in dit boek een verhaal op micro- en macroniveau; het relaas van kunstenaars die na de oorlog tot personae non gratae werden en dat van hun oeuvres, maar ook dat van de maatschappij waarin zij functioneerden en haar omgang met de oorlog. Het onderzoek beweegt zich daarmee op het snijvlak van geschiedenis en kunstgeschiedenis. Het beschouwt kunstwerken niet alleen als esthetische objecten, maar kijkt ook naar de identiteitsvormende functie van kunst in de samenleving. Het werpt een alternatieve blik op (de totstandkoming van) de kunsthistorische canon, die voorschrijft wat ‘goede’ kunst is en wat niet. Deze brede opzet heeft bevindingen opgeleverd van uiteenlopende kunst- en cultuurhistorische aard, waarvan ik de belangrijkste op rij zet.

De Kultuurkamer werd na de oorlog hét symbool voor collaboratie onder kunstenaars. Als studie naar beeldvorming draagt dit onderzoek het begrip Kultuurkamer dan ook in zijn titel. Lang niet iedereen die zich bij de Kultuurkamer meldde – de grote meerderheid onder de kunstenaars – was echter een collaborateur. Dit onderzoek geeft een beeld van de legio redenen om zich wel of niet in te schrijven. Om er enkele te noemen: angst voor inkomstenderving was een veelvoorkomend motief om te tekenen. Ook joodse kunstenaars probeerden zich soms (tevergeefs) in te schrijven, omdat het hun hoop gaf in dagen waarin hun bestaan ernstig werd bedreigd. En na de oorlog werd een weigering om te tekenen vanzelfsprekend als verzetsdaad gezien, maar er waren ook kunstenaars die niet tekenden omdat zij het oneens waren met de organisatorische opzet van de Kultuurkamer, terwijl zij geen bezwaar hadden tegen het ideologische aspect. 

Na de oorlog hebben diverse auteurs zich erover verbaasd dat beeldend kunstenaars in oorlogstijd maar zo weinig getuigden van de grimmige situatie om hen heen. Kunsthistoricus Hans Mulder stelde voor om naoorlogse kunst als die van Cobra en schrijvers Gerard Reve en W.F. Hermans tot de oorlogs- of verzetskunst te rekenen, omdat deze kunst wel op de oorlogssituatie reflecteert. Interessanter is het echter om oorlogskunst en kunst van de wederopbouwperiode afgezonderd te bestuderen: de kunst van een tijdvak staat immers niet op zichzelf, maar weerspiegelt de tijdgeest door haar vorm en inhoud. Kunsthistoricus Bram Hammacher is de enige auteur die erop heeft gewezen dat de nazidictatuur alle creativiteit in de kiem deed smoren. De kunst van de periode 1940-1945 was een gedweeë, volgzame kunst omdat zij werd gemaakt door onvrije kunstenaars, die – een visionaire enkeling als graficus Hendrik Werkman uitgezonderd – bovendien nog geen inzicht hadden in de proporties van de door de nazi’s aangerichte catastrofe. In scherp contrast met hun kunst staat het felle, idealistische werk van wederopbouwgroeperingen als Cobra en Vrij Beelden. Dit was verzetskunst met terugwerkende kracht; kunst die laat zien hoe de natie had willen zijn, terwijl de brave landschappen en stillevens uit de bezettingstijd laten zien hoe de natie was. 

Opvallend is vervolgens dat geen van de in hoofdstuk twee bestudeerde kunstenaars vond dat zijn meegaande houding – die, naast het tekenen voor de Kultuurkamer, varieerde van het publiceren in fascistische tijdschriften, het exposeren in nationaalsocialistische galeries, het vervaardigen van propagandistische kunst en het plaatsnemen in cultuurpolitieke instanties – politieke betekenis had. Leunend op het principe van l’art pour l’art hielden zij allen vol dat de kunst en de politiek gescheiden velden waren. Zij presenteerden zich als vrijzwevende, quasi onschendbare figuren, die hun vak te allen tijde naar eigen believen konden invullen. Om verschillende redenen was het echter juist voor kunstenaars onmogelijk om een neutrale houding aan te nemen ten opzichte van het naziregime: ten eerste was de kunst in de nationaalsocialistische maatschappij een expliciet propagandamiddel, ten tweede hadden kunstenaars te maken met een verplichte beroepsorganisatie met een discriminerende opzet, ten derde moesten zij als onderdeel van de inschrijving bij deze Kultuurkamer een ariërverklaring tekenen. Onbegrijpelijk was het apolitieke standpunt overigens niet: tijdens de oorlog was het een middel om kritiek het hoofd te bieden, na de oorlog werd het ingezet om het oordeel van de zuiveringsraad in gunstige zin te beïnvloeden, de herinnering te plooien en een ‘foute’ reputatie enigszins op te vijzelen.

Twee schilderijen die in hoofdstuk twee uitgebreid aan bod komen omdat zij grote invloed hadden op de receptie van hun makers, zijn Henri van de Veldes Nieuwe mensch (ca. 1937) en Pyke Kochs Zelfportret met zwarte band (1937). Over beide werken is al enige tijd discussie gaande, zowel op wetenschappelijk niveau als in de media: moeten de werken als fascistisch worden gezien of niet? Op grond van iconografisch onderzoek en de (her)interpretatie van historische bronnen concludeer ik dat de werken een fascistische ontstaansbetekenis hebben en dus ook zo moeten worden gezien.

Bij de herformulering van de kunsthistorische canon na 1945 speelde de oorlogsherinnering een rol van betekenis. Personen als Willem Sandberg, Bram Hammacher, Hans Jaffé en Edy de Wilde, die bepalend waren voor het aanzicht van de Nederlandse kunst na 1945, benutten de kracht van de herinnering om abstraherende kunst op de kaart te zetten. Kunst die zij stilistisch ‘goed’ vonden – zoals het werk van Mondriaan, Appel en Werkman – zetten zij als moreel ‘goede’ kunst neer. De woorden ‘vrij’ en ‘zuiver’ werden veelvuldig met deze kunst in verband gebracht, wat de waardering ervoor ten goede kwam. Cultuurhistoricus Aby Warburg wees al in de vroege twintigste eeuw op dit ‘mnemonische’ potentieel van de kunst: als drager van herinneringen heeft kunst een bindende en heilzame werking in de samenleving. Kunst die stilistisch ‘fout’ werd geacht – het door de nationaalsocialisten bewonderde neorealisme – kreeg op dezelfde wijze politieke lading toegedicht. Deze kunst werd, ongeacht de politieke kleur van haar maker, met oorlog en fascisme in verband gebracht. Zo creëerde een aantal vooraanstaande figuren in de naoorlogse kunstwereld een passende kunst voor het herrezen, democratische Nederland; een kunst die zich afzette tegen het fascisme dat het land vijf jaar in de greep had gehouden. Dit laat zien hoezeer ook de ‘vrije’ kunst van na de oorlog aan de staatsvorm gebonden is. 

Een beeld dat dikwijls opduikt in media en literatuur is dat van de ‘foute’ kunstenaar die uit de gratie raakte omdát hij had gecollaboreerd. Dit onderzoek laat zien dat dit te simpel is gesteld. Want hoewel Van de Velde en Polet na de oorlog inderdaad van hun voetstuk vielen, kwam Koch na een periode van stilte weer volop in de aandacht te staan. Dat Koch er wel in slaagde om zijn oude roem te doen herleven, heeft verschillende redenen. Ten eerste kon zijn politieke voorkeur als ‘onschuldig’, Mussoliniaans fascistisch worden gepresenteerd. Dit in tegenstelling tot Van de Velde, die het als NSB’er moeilijker had: vanwege hun duidelijke etiket waren NSB’ers nauwelijks in staat om zich binnen het spectrum van ‘goed’ en ‘fout’ in de richting van ‘goed’ te manoeuvreren – iets waar daders zonder deze herkenbare status eenvoudiger in slaagden. Kochs positie binnen de elite en het netwerk dat daarmee gepaard ging, betekende vervolgens eveneens veel voor zijn naoorlogse waardering als kunstenaar. Ook beantwoordde de schilder meer dan Van de Velde en Polet aan het romantische beeld van een kunstenaar zoals dat sinds de negentiende eeuw in zwang is. Voor deze excentrieke, eigenzinnige bohemien gelden doorgaans andere normen dan voor de gemiddelde burger, zo bleek ook bij Koch. Maar de belangrijkste reden voor Kochs rentree in de kunstwereld was zijn werk, dat wonderwel aansloot bij het naoorlogse beeld van wat kunst moest zijn: het was niet bevallig, het schuurde in plaats van dat het suste. Kochs dubbelzinnige, soms choquerende tafereeltjes en zijn grove, androgyne vrouwen worden in de hedendaagse kunstwereld a priori beter begrepen dan de stillevens en landschappen die in trek waren in interbellum en oorlog. Kochs comeback ging echter niet zonder slag of stoot. Vooral vanaf de jaren zestig werd, wanneer hij exposeerde, ‘de oorlog erbij gehaald’. De toon van zijn recensies verschilt per tijdvak, en laat zien hoe er in opvolgende periodes en door verschillende generaties en sociale groeperingen over de oorlog is gedacht. Opvallend is dat de recensies feller werden naarmate de oorlog verder in het verleden kwam te liggen. Dat heeft verschillende redenen. Met het verstrijken van de tijd en het aantreden van nieuwe generaties is het taboe op het spreken over pijnpunten als het hoge percentage uit Nederland weggevoerde joden en collaboratie onder Nederlanders afgebrokkeld. Bovendien is met de toegenomen individuele vrijheid en mondigheid en de afgenomen burgerlijke gemeenschapszin en gezagsgetrouwheid het onbegrip gegroeid over de volgzame houding van de meerderheid van de bevolking in de periode 1940-1945. Daarbij schuilt in een afkeuring van Kochs politieke keuze een bevestiging van het ‘goede’ van de eigen tijd. Kortom, aan de hand van het verhaal van ‘foute’ kunstenaars en ‘foute’ kunst laat dit proefschrift zien dat kunst drager is van steeds veranderende gedeelde herinneringen en een steeds veranderende gedeelde identiteit; en dat de waardering en interpretatie ervan hiermee verweven zijn.  

 

Selectie van oud-Kringleden

Veel beeldhouwers en beoefenaars van de ruimtelijke kunsten hebben gedurende hun carrière genoten van de activiteiten, de collegialiteit en belangenbehartiging van de NKvB, zoals:
Hildo Krop, Gerrit van der Veen, Herbert Nouwens, Pjotr Muller, Theresia van der Pant, Cor Hund, Carel Kneulman, Ben Guntenaar

NKvB Keurmerk voor exposities

Om als expositiegelegenheid in aanmerking te komen voor het Keurmerk van de NKvB moet de praktijk alsvolgt zijn: 
• Bij verkoop mag de provisieberekening van de expositiegelegenheid niet hoger zijn dan 33% van de nettoprijs van het kunstwerk
• Verzekeringen, uitnodigingen en openingskosten komen voor rekening van de organisatie 
• Commerciële organisaties en rijks-, provincie- en gemeente-instellingen dienen een hang- en stageldvergoeding toe te passen, die gerelateerd is aan de inkoopwaarde van de getoonde kunstwerken (bv. 5 %) voor een gangbare expositieperiode. Deze regels gelden ook voor bedrijven of non-profitinstellingen. 
• Transportkosten worden vergoed
• Reis- en verblijfkosten van de kunstenaar worden vergoed
• Wanneer de kunstenaar verzocht wordt werkzaamheden te verrichten, zal daar een vergoeding tegenover staan van minstens € 50,= per uur

Alleen wanneer aan deze regels is voldaan, zal de NKvB graag een keurmerk van goed gedrag uitgeven en op de website plaatsen.

Oorlogsmonumenten en de NKvB

20130422MariAndriessenWilhelminaUtrecht
Een eerste schets

De Nederlandse Kring van Beeldhouwers heeft een intensieve relatie met oorlogsmonumenten. Direct na de oprichting is er al sprake van aandacht voor monumenten. In 1919 schrijft Theo van Reijn een verzoek aan Lambertus Zijl om zitting te nemen in de commissie van advies inzake monumenten. Een kopie van dit briefje is opgenomen in de catalogus van het 90-jarig bestaan van de Kring in 2008 (Jeroen Damen in de catalogus Tijd is het). Of het hier om oorlogsmonumenten of om herdenkingsmonumenten gaat wordt uit het briefje niet duidelijk. Nederland is neutraal in de Eerste Wereldoorlog en er zijn in Nederland weinig monumenten opgericht die verband houden met deze oorlog.

Direct na het einde van de Tweede Wereldoorlog spreekt de Nederlandse Kring van Beeldhouwers haar bezorgdheid uit over de talrijke commissies die in het leven werden geroepen om gedenktekens op te richten ter herinnering aan de oorlog, vaak spontane acties, doch niet altijd artistiek onderbouwd. Op 1 augustus 1945 publiceert de Kring hierover in de Telex: "Zal deze of gene uit het comité met een plannetje of een tekeningetje komen van een bankje of een uitzonderlijk stuk metselwerk, afgezaagde onderwerpen van hulde blijken? ....Of zal de rechte weg gevonden worden: zich te wenden tot een bekwaam kunstenaar, naar aanleg en door ondervinding de aangewezen man om de gevoelens van de opdrachtgevers in het materiaal en de vormgeving van het monument te vertolken?"

Op 15 oktober 1945 wordt, mede op basis van de argumenten aangebracht door de Kring, bij Koninklijk Besluit houdende vaststelling van het Besluit Oorlogs- en Vredesgedenkteekens, een monumentenstop afgekondigd. Daarin is vastgelegd: "Het oprichten, plaatsen of aanbrengen van gedenktekens op openbare of vanaf de openbaren weg af zichtbare plaatsen is slechts geoorloofd na goedkeuring van het ontwerp door den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, onverminderd de bevoegdheid der plaatselijke organen". Er wordt een Centrale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens ingesteld. De Kring kan aan de Centrale Commissie advies geven bij de keuze van een beeldhouwer. Tevens hebben verschillende leden zitting in de commissie. De Kring heeft dus een belangrijke stem in de op te richten monumenten.

Direct na de oorlog zijn er weinig beeldhouwers met ervaring. Enkele namen: Hildo Krop, John Raedecker, Jan Bronner en Mari Andriessen. Als gevolg hiervan komt veel werk terecht bij de relatief jongere beeldhouwers (onder andere Jan van Luyn, Willem Reijers, Wessel Couzijn, Carel Kneulman, Pearl Perlmuter, Ben Guntenaar).

20130422MariAndriessenKonMarineDenHelderSoms speelde de houding van een beeldhouwer in de oorlog een rol in het toewijzen van een opdracht. Voor het Monument voor een fusillade in Burgervlotbrug wordt uit vier voorstellen het ontwerp van Willem Reijers gekozen. We lezen dat Brusse het terecht vond dat de opdracht naar Willem Reijers ging: "Reijers heeft het ook verdiend, dat hij deze belangrijke opdracht kreeg, want hij heeft tijdens de oorlog belangrijk verzetswerk gedaan" (Roel Arkesteijn in Willem Reijers).

Er komt een stroom van opdrachten op de Nederlandse beeldhouwers af. "In die zin blijkt de oorlog een belangrijke impuls voor de ontwikkeling van de beeldhouwkunst in Nederland." (Peter van Aarnhem in Jan van Luyn beeldhouwer) of zoals Jan Wolkers het verwoordde: "Het bloed der martelaren werd het zaad der beeldhouwkunst" (Jan Wolkers in Zwarte bevrijding).

Niet alleen heeft de Kring invloed via de Centrale Commissie op de monumenten die ontworpen worden, zij laat ook haar stem horen ten aanzien van het organiseren van prijsvragen. De Kring stelt dat voor het welslagen van een werk een wederzijds vertrouwen nodig is tussen opdrachtgever en kunstenaar. Het resultaat, dat in het werk bereikt wordt, is het gevolg van de voortdurende samenwerking tussen deze beiden. Dit element van wederzijds vertrouwen ontbreekt in het geheel bij prijsvragen. Vanwege deze reden en andere negatieve invloeden, zoals het aangrijpen van middelen om bij mededinging vooraan te komen, heeft de Kring doen besluiten de medewerking aan prijsvragen en meervoudige opdrachten te weigeren. Teneinde het voor de gemeentebesturen en comité's tóch mogelijk te maken zich op de hoogte te stellen van de bekwaamheid van de beeldhouwers en de mogelijkheid te scheppen deze kwaliteiten ook ten toon te stellen schreef de Kring een grote algemene prijsvraag uit onder alle in Nederland werkende beeldhouwers.

In 1946 organiseert de Kring een tentoonstelling rondom oorlogsmonumenten, waarbij de inzendingen van een prijsvraag worden getoond. De ontwerpen worden tentoongesteld in het Stedelijk Museum in Amsterdam van 15 november tot 15 december 1946 onder de titel: Prijsvraag Renesse. Tentoonstelling van ontwerpen voor Monumenten.
Ook ontwerpen van monumenten die buiten het kader van de prijsvraag worden gemaakt worden opgenomen in de tentoonstelling. De Kring meent "belangstellenden een zo uitgebreid mogelijk beeld te geven van het monumentenvraagstuk" en exposeert ook foto's van belangrijke monumenten in het buitenland. Er wordt een driedaags congres aan de tentoonstelling verbonden, dat een internationaal karakter draagt. Dit congres en ook de tentoonstelling worden goed bezocht.

In hoeverre de Centrale Commissie voor Oorlogs- en Vredesgedenkteekens gedurende de jaren '50 en '60 functioneerden zou verder onderzocht kunnen worden. De Centrale Commissie werd opgeheven in 1960. Er was een afname van het aantal opgerichte monumenten vanaf de jaren na de oorlog tot aan ongeveer 1960. Na een ongeveer gelijkblijvend aantal monumenten per jaar namen de opgerichte monumenten vanaf 1980 weer in aantal toe.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei is in 1987 opgericht. Dit Comité geeft richting, inhoud en vorm aan herdenken en vieren. Sinds 2011 is het werkveld verbreed naar herinneren. Het Comité houdt zich bezig met herdenkingen en heeft een programma waarbij schoolkinderen kennis maken met herdenken: Adopteer een monument. Op de site van het Comité (www.4en5mei.nl) is een database geplaatst met oorlogsmonumenten. Er komen bij het Comité regelmatig vragen binnen over de monumenten, ook over het onderhoud ervan. Dit was aanleiding om in 2009 de Beleidshandreiking beheer en behoud oorlogsmonumenten te publiceren. Op basis hiervan zouden Nederlandse gemeenten, die allen een exemplaar ontvingen, deze monumenten adequater kunnen beheren. In de praktijk bleken de gemeenten echter weinig actie te ondernemen. Het Nationaal Comité heeft daarop besloten de technische staat en het beheer van de oorlogsmonumenten in kaart te brengen. Corrie van de Vendel (Buro DSB) werd hiervoor benaderd. Zij was op dat moment voorzitter van de Kring. Een tiental leden van de Kring, verdeeld over Nederland om een geografische spreiding te garanderen, verrichtten het veldwerk voor dit onderzoek.

Uit het rapport dat is opgesteld blijkt dat tachtig procent van de oorlogsmonumenten in goede tot redelijke staat is: deze monumenten hebben genoeg aan een kleine herstelbeurt of aan regulier onderhoud. Twintig procent van de monumenten is in slechtere technische staat.

Het rapport eindigt met conclusies en aanbevelingen op het gebied van onderhoud en op het gebied van beheer. De belangrijkste punten hieruit zijn: het is nodig de monumenten regelmatig te schouwen om de technische staat te beoordelen, het is van belang een goede inventarisatie met beschrijving van de monumenten te hebben, het is van belang handelingen aan de monumenten en de gebruikte materialen te registreren. In de praktijk is er meer aandacht nodig voor bevestiging van onderdelen van de monumenten. Het onderhoud van gebruikte teksten verdient extra aandacht. Er mag niet gereinigd worden met zuur of met hoge druk.

Het rapport zal onder de aandacht worden gebracht van alle gemeentes in Nederland. Tevens zal op de restauratiebeurs in de Brabanthallen in Den Bosch een presentatie worden gegeven van het onderzoek.
Het rapport is te downloaden via de site van het Nationaal Comité, onder de kop onderzoek (http://www.4en5mei.nl/onderzoek/toegepast_onderzoek/onderzoek_technische_staat_van_oorlogsmonumenten). Op dezelfde site is de database van oorlogsmonumenten te doorzoeken onder de kop herinneren.

Corrie van de Vendel
Met medewerking van Linda Asseper
April 2013
Foto's van werken van Kringlid Mari Andriesen (Koningin Wilhelmina in Utrecht en Oorlogsmonument Koninklijke Marine te Den Helder)

Nut en belang van de kunstenaarsvereniging

Over het nut en belang van de kunstenaarsvereniging (in de beeldende kunsten), gezien vanuit de kunstenaar

Inleidende lezing door Jaap Röell op 9 november 2012, Amsterdam, bij het gelijknamige symposium, georganiseerd door De Onafhankelijken en FNV Kiem

 

Dames en heren,

Hét nut, hét belang van dé kunstenaarsvereniging in de beeldende kunsten?

Dat bestaat niet en staat haaks op het complexe en zeer heterogene  culturele veld in de beeldende kunst.
Die eenduidige vraag – hét nut, hét belang van dé kunstenaarsvereniging –  is slechts te beantwoorden voor een specifieke kunstenaarsvereniging, bijvoorbeeld voor het ‘moderngezind kunstgenootschap De Onafhankelijken’, opgericht in 1912. Maar dan nog zal door de leden van De Onafhankelijken steeds een naar de eigen positie genuanceerd antwoord op de vraag worden gegeven.

Toch zal ik proberen enkele gemeenschappelijke noemers aan te geven van kunstenaarsverenigingen en daarmee ook iets zeggen over het functioneren van die verenigingen in het heden. Daarbij dient beseft te worden dat de historische en regionale context, de inhoudelijke positiebepaling ten overstaan van de beeldende kunst en ook wat betreft de  organisatorische uitwerking van de verenigingsstructuur, er nogal wat verschillen bestaan tussen de (aloude) kunstenaarsverenigingen. Het vergt een dissertatie van de omvang van die van Ton van Kalmthout (Muzentempels;multidisciplinaire kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914, 776 pagina’s, 1998) om de kunstenaarsverenigingen in al hun complexiteit te karakteriseren en te beschrijven.

Ik beperk mij tot enkele gemeenschappelijke kenmerken van kunstenaarsverenigingen in verleden en heden en zal daarbij met name het belang voor kunstenaars om al of niet lid te zijn van een kunstenaarsvereniging, aanstippen.

 

Voetnoot 276

Ton van Kalmthout noemt de kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken slechts eenmaal in zijn studie, en wel in hoofdstuk 2, voetnoot 276. Dit in tegenstelling tot de eveneens Amsterdamse kunstenaarsvereniging Sint Lucas die ruime aandacht in de studie van Van Kalmthout krijgt, in 1880 als studentenclub opgericht vanuit De Rijksacademie voor Beeldende Kunst en vijf jaar later omgezet in een vereniging. Sint Lucas begon als anti-establisment beweging in de beeldende kunst, zich voornamelijk afzettend tegen Arti et Amicitiae die in die periode, eind 19e. eeuw, niet beticht kon worden van vernieuwing, experiment en een internationale kunstzinnige blik op ontwikkelingen in het buitenland.

Dertig jaar later, 1912, werd  de kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken opgericht, met name vanwege de grote ergernis die bij een deel van de Amsterdamse beeldende kunstenaars heerste over het systeem van jurering voor toelating tot tentoonstellingen en van ballotage om lid te worden van een kunstenaarsvereniging. In dit verband is er een parallel te trekken met het ontstaan van de tentoonstellingsruimte voor actuele kunst aan de Warmoestraat 139: W139. In 1979 opgericht door vijf pas afgestudeerde beeldend kunstenaars van de Rietveld Academie. Ook zij stelden zich in eerste instantie op als anti-establisment, maar in de loop van de tijd werd W139 een waardevolle aanvulling op het aanbod van bestaande kunstenaarsverenigingen, met name dat van Arti et Amicitiae, en van musea voor hedendaagse kunst. Veel jonge kunstenaars die ooit in W139 hebben geëxposeerd, zijn intussen lid van Arti geworden.

 Terug naar die voetnoot no. 276 in het boek Muzentempels van Ton van Kalmthout. Die voetnoot luidt: ‘De Onafhankelijke, opgericht in 1912 naar het voorbeeld van de Parijse Indépendants.’ Meer staat er niet. Toch geeft deze ene voetnoot van Van Kalmthout  de kern van het ontstaan van De Onafhankelijken weer:

1. de naam – De Onafhankelijken –  past in de culturele tijdgeest van eind 19e. begin 20e. eeuw: de kunsten die vrij zijn,  vrij moeten zijn, kunsten die vrij maken en die een waarde op zich zelf hebben, los van maatschappelijk knellende banden. Het was de periode van vernieuwing en experiment in de beeldende kunsten. Het Duitse expressionisme, het Franse kubisme,  het Italiaanse futurisme en de experimentele kunst uit het nieuwe Rusland, roffelden luid op de deuren van de gevestigde kunsten,

2. de naam  – De Onafhankelijken –   verwijst naar de oprichting in 1884 te Parijs van de Société des Artistes Indépendants. Het ging hen, les indépendants, et ging hen, les Het ging om het tonen van  werk van verwante kunstenaars, vernieuwers, in de door hen opgerichte Salon des Indépendants. Deze salon was een reactie op het strenge en conservatieve selectiebeleid van de Parijse Salon. Les Indépendants werkte zonder jury, zonder prijzen en was ongebonden. In eerste instantie zelfs zonder ballotage. In 1912 spiegelden De Onafhankelijken zich daaraan; ongebonden, zonder jury, zonder ballotage, zonder prijzen,

3. de oprichters van De Onafhankelijken richtten hun kunstzinnige blik op het buitenland, daar waar het gebeurde, dat was toen Parijs. Tentoonstellingen bij De Onafhankelijken van Henri le Fauconnier, Marc Chagall, Wassily Kandisky en Francis Picabia, toch niet de minsten, getuigden daarvan. Karlijn de Jong heeft over de periode 1919-1929, de meest spectaculaire periode van De Onafhankelijken, een master scriptie geschreven onder de programmatische leuze van de Onafhankelijken:  ‘Onbevooroordeeld, belangeloos en onafhankelijk’.

De ergernis over het beleid en het functioneren van de aloude kunstenaarsverenigingen, met name dat van Arti et Amicitiae als oubollige herensociëteit waar landschapjes werden getoond,  druipt van de programmatische leuze van De Onafhankelijken af.

 

Tijdgeest

In de 19e. eeuw werd de toon voor de ontwikkeling van de beeldende kunst, of het gebrek daaraan, gezet door kunstenaarsverenigingen als Arti et Amicitiae (Amsterdam, 1839), Pulchri Studio (Den Haag, 1847), Pictura Dordrecht (1774), Pictura Groningen (1832), Ars Aemula Naturae (Leiden, 1799), Genootschap Kunstliefde (Utrecht, 1807) en Kunst Zij Ons Doel (KZOD, Haarlem, 1821).

Deze kunstenaarsverenigingen zijn opgericht in een andere tijdgeest dan die van de Onafhankelijken. Dat was de tijdgeest van de waardering van de beeldende kunst als ambacht en die van de romantiek: de eenzame kunstenaar die op een zolderkamertje ploetert om mooie schilderijen te maken, veelal naar de natuur. De naam Ars Aemula Naturae, ‘De kunst wedijvert met de natuur’, duidt daarop. Het ambachtelijke zit er in dat deze kunstenaarsverenigingen zijn voortgekomen uit tekenonderricht, tekenacademies en het tekenen naar levend model. De meeste doen dat nog steeds en met volle overgave.

Aan het begin van de tweede helft van de 19e. eeuw verminderde de overheid de steun voor de eigentijdse kunst, de bekende Thorbecke-doctrine: de overheid is geen oordelaar van kunst. Thorbecke zag overigens we degelijk het grote belang van kunst en cultuur  voor de ontwikkeling van een volwassen samenleving. Iets wat de huidige liberalen, conservatief- liberalen, wel eens over het hoofd zien, maar dit terzijde.

Kunstenaars, meer onzeker over hun bestaan, sloten zich vanuit economische motieven aaneen in kunstenaarsverenigingen. Zij waren vaak ook lid van meerdere kunstenaarsverenigingen tegelijkertijd om optimaal gebruik te kunnen maken van de mogelijkheid om te exposeren en daarmee wellicht te verkopen. Bij de oprichting van de Onafhankelijken in 1912 was dat economisch aspect van minder belang. Het ging toen meer over artistieke richtingen, het volgen van nieuwe kunststromingen en om het zich afzetten tegen persoonlijke belangen zoals die bijvoorbeeld in de jaren 1911/12 tot uitdrukking kwam in de richtingenstrijd tussen de ‘blauwen’ versus de ‘bruinen’ binnen Sint Lucas.

Onafhankelijk betekent in dit verband ook dat niet-kunstenaars geen lid konden worden van de vereniging, wat nu nog steeds bij De Onafhankelijken het geval is, net zoals bij de vereniging Sint Lucas. Dus los van die vermaledijde kunstlievende leden die meestal, zeker eind 19e begin 20e eeuw bij menig kunstenaarsvereniging de boventoon voerden met hun conservatieve smaak en appreciatie. Los van die beklemmende banden! In die zin maakte De Onafhankelijken deel uit van een sociale, zo niet socialistische beweging.  

En dan het derde kenmerk in die ene voetnoot van het proefschrift van Ton van Kalmthout; de kunstblik op de wereld. De oudere, traditionele kunstenaarsverenigingen worstelden daar in die tijd ook mee, met vaak afsplitsingen tot gevolg. In 1897 splitste bijvoorbeeld Voor De Kunst zich af van het Genootschap Kunstliefde en bracht internationale jonge, vernieuwende kunstenaars naar Utrecht, zoals Vincent van Gogh, Thorn Prikker, Jan Toorop en  nieuwe kunststromingen als het luminisme, symbolisme en kubisme.       

Die tijd, de vijftien jaar voor de Eerste Wereldoorlog, was op het terrein van de beeldende kunsten vergelijkbaar met de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog; verzet, vernieuwing, experiment, revolutionaire geest. Althans in een deel van de wereld van de beeldende kunsten. Het meer traditionele werk van beeldende kunstenaars ging gewoon voort.

 Ook dat is een kenmerk van de (traditionele) kunstenaarsverenigingen: traditie én vernieuwing onder één dak, gerechtvaardigd en gestimuleerd omdat alle vormen van beeldende kunst die van voldoende kwaliteit werd beoordeeld, het waard was getoond te worden. Dit is een wezenskenmerk van alle kunstverenigingen op het terrein van de beeldende kunst, zeker in de huidige tijd: alle interessante beeldende kunst verdient het om getoond te worden. In de praktijk komt het daar overigens lang niet altijd van.

Kunstlievende leden

De Onafhankelijken braken met de toen gangbare vorm van een kunstenaarsvereniging; ballotage, kunstbeschouwingen waarbij de sociale en kunstzinnige elite van de stad in belangrijke mate bepaalde wat goed was en een sociëteitsleven dat door de kunstlievende leden veelal belangrijker werd bevonden dan kritische beschouwingen over kunst. De Onafhankelijken distantieerden zich daarmee van verenigingen die in het begrippenkader van Ton van Kalmthout, multidisciplinair van karakter waren: kunstgenot én sociëteitsleven, een artistieke én een sociale functie.

Dit is het eerste grote onderscheid tussen kunstenaarsverenigingen, nu nog steeds: zij met en zij zonder kunstlievende leden.

In de oude kunstenaarsverenigingen die wel kunstlievende leden hebben, is in de loop van de vele decennia menig strijd gestreden over de mate van invloed die kunstlievende leden in het bestuur  en in de algemene ledenvergadering van de vereniging zouden moeten hebben, een zich in de loop van de tijd steeds herhalende discussie over de verenigingsdemocratie. Die strijd is langzamerhand in de meeste kunstenaarsverenigingen wel gestreden; kunstenaarsleden en kunstlievende leden hebben gelijke rechten binnen de verenigingsstructuur.

Het voordeel dat kunstverenigingen (kunnen) hebben van kunstlievende leden is een tamelijk stabiele bron van inkomsten (contributie), een vast kooppubliek (mag je hopen), de inbreng van bestuurlijke ervaring (vaak zeer gewenst) en van een politiek en cultureel draagvlak dat zij met zich meebrengen.  Zouden De Onafhankelijken, ondanks heftig protest van de kunstenaars, in 1993 uit de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum zijn verjaagd en met hen de Samenwerkende Amsterdamse Kunstenaarsverenigingen (SAK), zonder dat aan de SAK een goed alternatief werd aangereikt, als een aantal spraakmakende en goed lobbyende kunstlievende leden zich had opgeworpen als belangenbehartiger van de SAK? Het antwoord weten we niet, maar daarmee is wel een belangrijke functie van een deel van de kunstlievende leden gegeven.

Kunstenaarsverenigingen op het terrein van de beeldende kunst hebben veelal, met accentverschillen, gelijksoortige doelstellingen in hun statuten.

In de eerste plaats is dat het tonen van kunstwerken van de kunstenaarsleden en van anderen (expositie vereniging). Dit vergt een goede en zo mogelijk vaste locatie.

Enkele kunstenaarsverenigingen tonen alleen werk van eigen leden. Dat is naar mijn mening alleen maar zinvol als je een heel groot en gedifferentieerd bestand aan kunstenaars hebt. De Ploegh (Soest) doet dat met circa 120 kunstenaarsleden. Is dat een levensvatbare basis? Ik twijfel daaraan. Overigens was in oktober/november 2012 in de expositieruimte van De Ploegh een expositie te zien van leden van de Kunstenaarsvereniging Hoorn & Omstreken (KVH&O, ruim 100 kunstenaarsleden):’De Boterhal komt naar De Ploegh’. Daarmee trad De Ploegh buiten haar eigen kring van leden en vergrote ze haar bereik.

In de tweede plaats staat in de statuten van de meeste kunstenaarsverenigingen dat de vereniging  het contact tussen kunstenaars onderling en tussen kunstenaars en kunstlievende leden wenst te bevorderen. Als middel daartoe worden vaak  genoemd het houden van kunstbeschouwingen, geven van lezingen en zeker ook het faciliteren van een sociëteit als ontmoetingsplaats. De geschiedenis van kunstverenigingen staat bol van conflicten die ontstaan zijn tussen zij die de sociëteitsfunctie van de vereniging benadrukken en zij die niet willen wijken in de behartiging van de belangen van de expositiemogelijkheden.

Een derde doelstelling in de statuten van met name de oudere kunstenaarsverenigingen is de nadruk die ligt op het bevorderen van de kunde van het tekenen naar levend model. Die oudere kunstenaarsverenigingen zijn immers veelal  voortgekomen uit het tekenonderricht en tekenacademies van eind 18e., begin 19e. eeuw.

Tussen deze drie hoofddoelstellingen zien we in de loop van de tijd binnen de verenigingen de accenten verschuiven. Wat daarbij echter steeds fier overeind blijft is de nadruk die gelegd wordt op het belang van het tonen van kwalitatief hoogstaand werk. Dat kan alleen maar als er een systeem van ballotage bestaat waaraan kandidaatsleden dienen te voldoen. Ook De Onafhankelijken moesten als spoedig hun premisse van een jury- en ballotagevrije vereniging opgegeven. Te veel prutsers stroomden toe. Zes jaar na de oprichting werd alsnog een systeem van ballotage ingevoerd.  

Maar vormen van herballotage ben ik nergens tegengekomen. Kunstenaarsleden die niet meer presteren of het oude liedje van hun kunnen steeds maar weer herhalen, blijven, eenmaal toegelaten,  volwaardig lid van de vereniging. In september 2008 organiseerde Pulchri Studio een discussieavond voor de leden onder de titel De Kunst van het Voortbestaan. Dit punt, de herballotage, kwam ook aan de orde. De stelling was: moet er een systeem van herballotage worden ingevoerd? De uitslag: de helft van de aanwezige voor, de helft tegen. ‘Old artists just fade away’ en misschien is dat maar goed ook.


Waarom kunstenaarslid?

De discussie onder de leden van Pulchri Studio was exemplarisch voor het bestaan van (oude) kunstenaarsverenigingen: waarom zou je als kunstenaar lid willen worden van een kunstenaarsvereniging, in dit geval Pulchri, hoe zit het met de ledententoonstellingen, prijzen, imago en nog vele andere zaken, wat heb ik er aan?

Wel, toelating tot een gerenommeerde kunstenaarsvereniging betekent erkenning en de mogelijkheid te exposeren. Kortom, een toevoeging aan het c.v. van een kunstenaar. Bovendien dwingt het om door te blijven werken. Er moet immers voor de volgende ledententoonstelling weer een aantal goede werken worden afgeleverd. Daar komt bij dat de kunstenaarsvereniging een deel van het cultureel ondernemerschap overneemt. Allemaal positieve prikkels om op te gaan voor het lidmaatschap van een goed bekende staande kunstenaarsvereniging.

Maar zo eenvoudig is het niet. Eerst moet de ballotage gepasseerd worden. En het is helemaal niet leuk afgewezen te worden. Bovendien, lang niet alle kunstenaarsverenigingen hebben in de buitenwacht een herkenbaar en positief imago.

Een herkenbaar imago van de vereniging impliceert dat het ledenbestand aan kunstenaars niet te divers is. Dus niet ook architecten, musici, toneelspelers, literatoren, vormgevers en meer van dergelijke creatieve beroepen. Het gevaar van een gemengd samengesteld ledenbestand is dat de buitenwacht het meer als een sociëteit gaat zien, zoals De Kring op het Leidseplein in Amsterdam, hetgeen De Kring in feite ook is. Een beeldend kunstenaar vraagt meer, namelijk de mogelijkheid om periodiek te kunnen exposeren. Om als kunstenaarsvereniging interessant te kunnen zijn voor een beeldend kunstenaar, moet er dus een vorm van exclusiviteit in de vereniging zitten. Een van de stellingen tijdens de discussie bij Pulchri over De Kunst van hetVoortbestaan luidde: Pulchri moet openstaan voor het lidmaatschap van andere disciplines dan alleen van de beeldende kunsten. De aanwezige kunstenaars- en kunstlievende leden verwierpen deze stelling met 70% tegen en 30% voor,

Het imago van de kunstenaarsvereniging  mag niet stoffig zijn. Anders heb je er als beeldend kunstenaar niets aan, tenzij het je alleen maar gaat om de mogelijke contacten en gezelligheid. Kunstenaarsverenigingen die geen frisse uitstraling hebben, geen goede locatie, geen goede website, niet aan social media doen, geen professioneel vrijwilligers corps hebben, geen spraakmakende exposities maken, houden slechts hun historie over. Dat is mooi, goed voor een aantal scripties door studenten kunstgeschiedenis, maar onvoldoende om mensen aan je te binden.

Overigens,  bij de opkomst van internet en social media werd door sommigen verwacht dat het belang om als kunstenaar lid te zijn van een kunstenaarsvereniging, zou wegvallen. Dat blijkt niet het geval te zijn. Er is naast het individuele, ook een belangrijke functie voor het collectieve, samengebald in fysieke tentoonstellingen, binnen een verband van een organisatie.

Om interessant te zijn voor kunstenaars en kunstlievende leden, moet een kunstenaarsvereniging meer tonen dan alleen schilderijen en driedimensionaal werk. Het gehele aanbod van de beeldende kunsten, dient aan de orde te komen, ook videokunst, kinetische kunst, geluidskunst, lichtkunst, papier, beton, noem maar op. Dit kan door een zo breed mogelijk spectrum van kunstenaars onder de leden te hebben, of door tentoonstellingen te maken van kunstenaars van buiten de vereniging. Het onderscheid met galeries is nu juist dat er in het geval van een kunstenaarsvereniging geen ‘stal’ aan kunstenaars is, maar dat er elke keer weer iets anders getoond wordt. Differentiatie is het sleutelwoord, zonder obsessief steeds maar over verjonging onder het ledenbestand te spreken. Dat is nergens voor nodig: interessant zijn is interesse opwekken.

En wat vooral niet vergeten mag worden is dat kunstenaarsverenigingen duidelijk moeten uitstralen dat zij bemiddelaar zijn tussen de kunstenaar en een koper, maar anders dan in het geval van een commerciële galerie. Kunstenaarsverenigingen zijn immers  

* geen winst beogende instelling,

* vragen over het algemeen een lagere provisie bij verkoop dan bij een commerciële  

   galerie,

* zijn geen lid van de NGA (Ned Galerie Associatie),

* hebben meestal geen BTW-nummer (verenigingen zonder winstoogmerk),

* hebben vaak de door de fiscus erkende status van een Algemeen Nut Beogende 

   Instelling (ANBI),  

* hebben een verdienmodel waarin subsidiënten, sponsors en contribuanten een

   belangrijke rol spelen en wat vooral van belang is,  

* de vereniging maakt deel uit van de culturele infrastructuur van een stad of regio.

 

Als het imago helder en niet stoffig is, het aanbod het brede spectrum van de beeldende kunsten beslaat en de vereniging onderscheidend is ten opzichte van de commerciële galeries, is de kunstenaarsvereniging niet alleen interessant voor beginnende en gearriveerde kunstenaars, maar ook voor kunstlievende leden of donateurs. Want waarom zou je kunstlievend lid willen worden? What’s in for me? Die vraag wordt niet uit loyaliteit gesteld, maar uit goed begrepen eigen belang:

financieel voordeel, sociaal voordeel – lobby en netwerk - en dat is weer gekoppeld aan de meestal plaatselijke of regionale betekenis van de kunstenaarsvereniging. Landelijk opererende kunstenaarsverenigingen, zoals De Ploegh, Ned. Kring van Beeldhouwers, Hollandse Aquarelisten Kring en de Nederlandse Kring van Tekenaars hebben geen kunstlievende leden, hooguit donateurs. Er is immers geen lokale binding waar kunstlievende leden ook wat aan kunnen hebben.

 

Suggestie

Het schort aan de bekendheid bij het geïnteresseerde publiek over  kunstenaarsverenigingen, enkele uitgezonderd zoals Arti en Pulchri Studio. Daarom tenslotte een suggestie:

we maken een landelijk overkoepeling van kunstenaarsverenigingen. Zoiets als de Arbeitsgemeinschaft deutchter Kunstvereine waarbij circa 300 Kunstvereine zijn aangesloten. Deze landelijk overkoepelende organisatie zou zich kunnen  aansluiten bij de club van Bert Holvast, de Federatie van Kunstenaarsverenigingen of bij een andere landelijk opererende belangenbehartiger. Dit kan ook voor kunstlievende leden interessant zijn omdat zij, net zoals in Duitsland, vrij entree hebben bij alle aangesloten kunstverenigingen en op gelijke voet kunnen profiteren van andere faciliteiten die aan kunstlievende leden worden geboden.

Om de gezamenlijkheid te bedrukken zou er ook een maand- of kwartaalblad door de koepel uitgegeven kunnen worden. Daarin ideeën voor uitwisseling van tentoonstellingen, een breed podium voor kunstenaars en betere p.r en naamsbekendheid  voor de aangesloten kunstenaarsverenigingen. Zoiets als het Museumtijdschrift, maar dan voor de kunstenaarsverenigingen  voor beeldende kunst. Dit kan ook een extra reden zijn om kunstlievend lid te worden. De meestal regionale betekenis van de kunstenaarsvereniging krijgt door dit medium aldus een landelijke uitstraling. Een bijkomend effect is dat er een schifting kan worden aangebracht tussen serieuze en knullige kunstenaarsverenigingen. Dat komt de serieuze verenigingen alleen maar ten goede.

Samenwerking tussen kunstenaarsverenigingen is overigens geen nieuw idee, zie het proefschrift van Ton van Kalmthout  Muzentempels. Hij schetst menig fraai poging. Leerzame en soms hilarische kost, zoals de bijeenkomst in Arnhem in 1908, georganiseerd door Artibus Sacrum waarbij een aantal bekende kunstenaarsverenigingen (o.a. Kunstliefde en Sint Lucas) bijeen waren om te praten over vormen van samenwerking. Na veel heisa kwam het er niet van. Geen reden het niet opnieuw te proberen, wel om er van te leren.

Over 100 jaar wordt er weer een symposium gehouden over het belang en de betekenis van kunstenaarsverenigingen. Het verslag van dit symposium komt dan uit een stoffig archief, en naar mijn verwachting zegt de spreker dan: leerzaam, zeer leerzaam. Want over 100 jaar bestaan naar mijn verwachting kunstenaarsverenigingen nog steeds, in verschillende en vernieuwde vormen, maar wel in de kern van de functie hetzelfde: presentatie van beeldende kunst in een verenigingsverband van andere kunstenaars,

op non-commerciële basis, sterk gedifferentieerd qua aanbod, op een fraaie locatie waar gesproken kan worden over kunst, en vooral ook een goed glas wijn kan worden gedronken. Dat ga ik maar eens doen, bij een kunstenaarsvereniging.


About the Dutch Society of Sculptors

Welcome to the website of the Nederlandse Kring van Beeldhouwers/Dutch Society of Sculptors

Organisation
The Dutch Society of Sculptors/Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKvB, or 'de Kring') is an association of about 180 practising professional sculptors, or at present, fine artists that work in three dimensional space in the broadest sense. Founded in 1918 to support the interests of sculptors, the association aims to expand interest in sculpture in the Netherlands and beyond, as well as promote contact and exchange amongst producers of three-dimensional art. The NKvB is dedicated to the support of Dutch sculpture - spatially orientated art - in general and the work of its members in particular. Organising exhibitions and symposia is an important aspect of the NKvB policy of supporting its members' interests. 

History
The Dutch Society of Sculptors was founded in 1918 as the first and only nationwide professional sculptors' organisation in the Netherlands. Sculptors such as Mendes da Costa, Mari Andriessen, Hildo Krop, Raedecker and Wenckebach were among the founding members. They felt a strong need to bring the combined strengths of their profession to bear in organising events and opportunities that other institutes ignored. They saw that the professional practice of visual artists working in three dimensions was clearly distinguished from that of other disciplines, more demanding in every respect. Ever since, the Kring has continued to generate opportunities to exhibit spatial art, to initiate exhibitions and to serve as a foundation for shared encounters and collegiality amongst sculptors at international symposia and at high-profile locations where members and non-members alike can present their work.
The NKvB also provides professional advice for government and semi-government institutions, analysing, providing professional advice and guidance for public and private sculpture commissions, exhibitions and the installation of sculpture in public space. A more extensive and continuing description of the Dutch Society of Sculptors and its members can be found on the History Page/de Geschiedenispagina (in Dutch).


For questions about our association, please get in touch with Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Comments or suggestions regarding the content of this website can be addressed to the editor at Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Technical remarks can be addressed to Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. .


Join the NKvB as a working member? Click here to apply for balloting (in Dutch)

Become a Friend of the NKvB? Click here (in Dutch)

 

About the NKvB

Welcome to the website of the Dutch Society of Sculptors. 


Organisation

The Dutch Society of Sculptors/Nederlandse Kring van Beeldhouwers (in short NKvB, or Kring) is the only nation-wide organisation of about 180 practising professional sculptors. Founded in 1918 to support the interests of sculptors, the association aims to expand interest in sculpture in the Netherlands and beyond, as well as to promote contact and exchange amongst the producers of three-dimensional art. The NKvB is dedicated to the support of sculpture - spatially orientated art - in general and the work of its members in particular. Organising exhibitions and symposia is an important aspect of the NKvB policy of supporting its members' interests.

History
The Dutch Society of Sculptors was founded in 1918 as the first and only professional sculptors' organisation in the Netherlands. Sculptors such as Mendes da Costa, Mari Andriessen, Hildo Krop, Raedecker and Wenckebach were among the founding members. They felt a strong need to bring the combined strengths of their profession to bear in organising events and opportunities that other institutes ignored. They saw that the professional practice of visual artists working in three dimensions was clearly distinguished from that of other disciplines, more demanding in every respect. Ever since, the Kring has continued to generate opportunities to exhibit sculpture, to hold member exhibitions and to serve as a foundation for shared encounters and collegiality amongst sculptors at international symposia and at high-profile locations where members and non-members alike can present their work.
The NKvB also provides professional advice for governmental, semi-governmental and private institutions, analysing, provides guidance for public and private sculpture commissions, exhibitions and the installation of threedimensional art in public space. Starting in 2015 the membership of our Society has been made possible for non-Dutch professionals that do not live and work in The Netherlands.

A more extensive and continuing description of the Dutch Society of Sculptors and its members can be found in Dutch on the History Page (de Geschiedenispagina).

Questions about the organisation can be addressed to Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Comments or suggestions regarding this website can be addressed to the editor at Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. 
 

Join the NKvB as a working member? Click here

Become Friend of the NKvB? Click here

Voormalige leden van de NKvB

Tot 2009: Ian Pieters, Antonie Eikemans, Andre van der Linden, Erik van Hoorn, Pierre Lumey
Tot 2010: Hans la Hey, Leontine Sies, Andrea Stoetzer, Bien Koekebakker, Albert van Kervel
Tot 2011: Henk Slomp, Paulus Reinhard, Lysan Linnartz, Ria Bisseling, John Blaak, Immanuel Klein, Rinus Roelofs, Marie Hendriks
Tot 2012: Jules Slangen, Deva Boersema, Simon Oud, Nicole Linders, Jan Ketelaar, Vincent Ginneke, Jane Boyd, Antonie de Ridder, Robert Jansen, Marcelle van Bemmel
Tot 2013: Ine Boeijen, Hank Beelenkamp, Edith van Oosterwijk, Mieke Smits
Tot 2014: Carel Lanters, Pieter Zouwen, Henk Rusman, Alinda Ottens, Paul van Laere, Saskia Boelsums, Peter Veen, Geert Schiks, Els de Meijer, Da van Dalen, Marie-Claire Krell, Sonata Lepaite
Tot 2015: 
Tot 2016: Nicole Royers, Egidius Knops, Adri de Fluiter, Samir Dzabirov, Eddy Roos, Adrie Ardendsman, Lo van der Linden, Ton Kalle
Tot 2017: Henk Vos, Adri Verhoeven, Kim Wawer, Sanders Bokkinga, Xandra Bremers, Femke van Dam
Tot 2018: Joop Haring, J.S.S.Kokke, Linda Keuris, Helen Vergouwen

Overleden NKvB-leden

Voor 2008
Jan Bronner (1881 - 1972), Piet Esser (1914 - 2005), Charlotte van Pallandt (1898 - 1997), Han Wezelaar (1901 - 1984), Mari Andriessen (1897 - 1979)

2008
Cor Hund (1915- 2008), Carel Kneulman (1915-2008), Renze Hettema (1927-2008)

2009
Piet Hein Stulemeijer (1941-2009), Ben Guntenaar (1922-2009)

2010
Theo Sanders (1953-2010), Margot Zanstra (1919-2010), Gerard Walraeven (1942-2010), Ans Hey (1932-2010)

2011
Peter Jansen (1956-2011)

2012
Fioen Blaisse (1932 - 2012), Felix van Kalmthout (1932 - 2012)

2013
Dieuwke Abma Ter Horst (1926 - 2013), Josias Fanoembi (1949 - 2013), Theresia van der Pant (1924 - 2013), Joop Hekman (1921 - 2013)


2014
Appie Drielsma (1937 - 2014), Eva Mendlik (1928 - 2014)

2015
Cyril Lixenberg (1932 - 2015), Lucie van der Zijde (1958 - 2015), Piet Killaars (1922 - 2015), Aart Lamberts (1947 - 2015), Joost Barbiers (1949 - 2015), Adine Engelman ( 1937 - 2015), Wicher Meursing (1928 - 2015)

2016
oud-voorzitter Bert van Loo (1946 - 2016), Wilhelminaring-winnaar Piet Sleegers (1923 - 2016), Jan Steen (1938 - 2016), Rob Maingay (1939 - 2016)

2017
Theo Mulder (1928 - 2017)

2018
Per Abramsen (1941 - 2018), Luut de Gelder (1942 - 2018)

Geschiedenis van de NKvB, Jan Meefout

door Nelleke van Zeeland

Van
 17 december 2010 tot en met 29 mei 2011 is in museum Beelden aan Zee de tentoonstelling Oog, hart en handen. Beeldhouwer Jan Meefout (1915-1993) te zien. Voor het eerst wordt een volledig overzicht gegeven van het oeuvre van deze begaafde kunstenaar, wiens fascinerende vrouwenbeelden geliefd zijn bij een groot publiek.

 

20101223JanMeefoutJongPaarJan Meefout en het vrouwelijk schoon zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De Amsterdamse beeldhouwer heeft de vrouw in al haar gedaanten (moeder, verleidster, godin) afgebeeld en heeft dit thema slechts bij uitzondering verlaten. Gevormd als meubelmaker, kwam Meefout in de leer bij de beeldhouwers Jaap Kaas, Jan Havermans en Frits van Hall. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg hij aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten les van professor Jan Bronner. Van zijn leermeesters nam hij de eenvoud, de sensualiteit en de ambachtelijkheid in zijn beeldhouwwerk over.

Meefout onderscheidde zich door zijn liefde voor het ambacht en zijn materiaal. Weerbarstige stukken steen en hout hadden zijn voorkeur en hij liet zich door het materiaal leiden naar een bepaalde vorm. Voorbeelden van  zijn vrouwfiguren en gezinsbeelden zijn op tal van plekken te vinden. Onder andere voor de gemeenten Amsterdam, Edam, Arnhem, Hilversum, Roosendaal en Almere heeft de kunstenaar opdrachten uitgevoerd. 

Deze tentoonstelling is het eerste museale retrospectief van Jan Meefout, en geeft mede dankzij de vele bruiklenen van particulieren, een fraaie doorsnede van zijn gehele oeuvre. Behalve kleinplastiek wordt er een selectie getoond van zijn werk in de publieke ruimte, door middel van foto’s en ontwerpen. Ook is er een aantal recent ontdekte sculpturen te zien. Aansluitend draait in de cinema van Beelden aan Zee historisch filmmateriaal van de beeldhouwer. 

Bij de tentoonstelling Oog, hart en handen verschijnt de publicatie Jan Meefout. Dit is het vierde deel in de reeks Monografieën van het Sculptuur Instituut. Behalve een biografisch essay en een geïllustreerde oeuvrecatalogus bevat dit boek een nooit eerder gepubliceerd interview met de beeldhouwer alsmede een bijdrage van diens zoon Jeroen. Deze monografie  is verkrijgbaar in de museumwinkel en gespecialiseerde boekhandels voor € 24,95  (Waanders uitgevers, ISBN: 9789040077166).


 

Afbeelding Jan Meefout, Jong paar, 1968, teakhout, 54 x 38 x 12cm,  collectie erven Meefout

NKVB leden pagina

Er zijn twee manieren om de database met NKvB-leden en hun werk te raadplegen:
- via de naam > op achternaam via de bovenste alfabetische ledenlijst
- via hun werk > 
     - klikken op een afbeelding = vergroting 
     - klikken op Portfolio = de persoonlijke pagina van de maker
     - links en rechts op die vergroting = vorige of volgende foto 

     
There are two ways to consult the database of NKvB members:
- by name > using the upper alphabetical member list
- by work > using the list of photographs of work
     - clicking an image = enlarging 
     - clicking Portfolio = the personal page of the artist
     - left and right on the enlargement = back and forth through the list

 

1. Alfabetische ledenlijst / Member list in alphabetical order

 

2. Overzicht met alle werkfoto's / List with all the photographs of works of the members

( klik de foto voor vergroting, klik portfolio voor informatie over de maker )
( click photograph to enlarge, click portfolio for more information )

 

90 jaar 'Belang der Beeldhouwkunst'

Jeroen Damen 

Een bewerking van de tekst die kunsthistoricus Jeroen Damen, schreef ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de NKvB voor de catalogus van de jubileumexpositie Tijd is het in Pulchri Studio in Den Haag 2008

 

 

 

 

NEDERLANDSCHE KRING VAN BEELDHOUWERS

 

Aan de Leden van den Ned. Kring van Beeldhouwers

 

Collega,

Zoals u bekend zal zijn, zullen in het voorjaar van 1936 te Berlijn de Olympische spelen worden gehouden, waaraan ook een internationale Kunsttentoonstelling is verbonden.

 

Het bestuur van den Nederlandschen Kring van Beeldhouwers meent den Leden in ernstige overweging te moeten geven, zich van deelname van deze tentoonstelling te moeten onthouden, niet om politieke redenen, want die liggen niet op den weg van onzen Kring, die zich uitsluitend beweegt op het gebied van alle soorten beeldhouwkunst, die door verschillend geaarde kunstenaars wordt beoefend. Onze Kring omvat alle richtingen in de beeldhouwkunst, hoe tegenstrijdig deze soms ook kunnen zijn.........maar om de bedreiging tegen de kunst.

Waar in Duitschland DE VRIJE UITING DER KUNST niet gehandhaafd is gebleven en deze opvatting geheel in strijd is met de dieperen gronden van ons kunstleven, acht het bestuur van den Nederlandschen Kring van Beeldhouwers zich verplicht de Leden van den Kring HET DEELNEMEN AAN BOVENGENOEMDE EXPOSITIE TEN STERKSTE TE MOETEN ONTRADEN.

 

Een goed voorbeeld geven de Amerikaansche sportmensen die niet zullen deelnemen aan de sportfeesten welke in Duitschland worden georganiseerd, hetgeen zeker op het Amerikaansche Kunstleven van grooten invloed zal zijn.

 

HET BESTUUR VAN DEN NED.KRING

VAN BEELDHOUWERS

October 1935

 

 

 

 

 

 

 

 

1tijd-is-het.jpgDe verschuiving van de omgekeerde woordvolgorde, afgebeeld op de uitnodiging voor de  tentoonstelling in 2008 in Pulchri, tekent historisch besef. ‘Tijd is het' dompelt ‘Het is tijd' kopje onder en duwt het tegelijk opzij en naar achteren. Er ontstaat ruimte tussen beiden. Tijd staat nu vooraan en bovenaan, op de eerste plaats. Het heeft onderhand lang genoeg geduurd en nu is het tijd voor ...

Over 10 jaar gaat het 100-jarig bestaan vast en zeker gevierd worden. Dat zal gebeuren met het nodige achterom én vooruit kijken en met de vraag, waar komt deze Kring eigenlijk vandaan en waartoe dient zij?

 

Van een florerend museum- en galeriebedrijf zoals nu bestaat, is in 1918 nog geen sprake. Kunstenaars moeten het vooral zelf uitzoeken, en de wens om samen te exposeren houdt daarmee verband. Dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom De Kring wordt opgericht. In 1919, een halfjaar na haar oprichting, schrijft het bestuur een brief aan zijn Leden dat de opkomst bij de algemene ledenvergadering buitengewoon gering is. Dit voldoet aan een tamelijk stereotiep idee over kunstenaars: dat zij, als per definitie individualistische figuren, niet gauw lid zullen worden van een vereniging. En als ze dan al lid worden van een vereniging, dan wil dat nog niet zeggen dat ze zelf betrokken willen zijn bij de organisatie ervan en bij de besluitvorming die dat regelmatig vraagt. Is het eigenlijk belangrijk dat beeldhouwers weten waar hun vereniging vandaan komt, en hoe die in elkaar zit? Waarom zouden zij zich bemoeien met het reilen en zeilen van hun club, laat staan met het verleden ervan? En als je de vraag nog wat zou toespitsen, dan luidt zij eigenlijk: waarom zou jij als beeldhouwer zonodig lid moeten zijn van deze vereniging?

 

Het antwoord op die vraag ligt in het archief van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Het wordt bewaard bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag en beslaat ruim tien strekkende meter materiaal. Op dit moment zijn de archivarissen bezig het archief ‘om te pakken' in zuurvrije dozen, en te ontdoen van materialen die het bederf bespoedigen zoals nietjes, paperclips en schimmels, om het voor de toekomst te behouden. Intussen zijn zij tot het jaar 1960 gevorderd met het ordenen. In een volgende fase zal alles worden voorzien van inventarisnummers, en digitaliseren is een sterk gevoelde wens. Het kost meerdere dagen om alle papieren door te lezen van het jaar 1918, het jaar waarin de Kring is opgericht. De uitstraling is charmant, want toen schreef iedereen nog met de hand, -ja, ook aan de koningin, hoewel daar speciaal ‘schoonschrift' voor is ingezet-, zodat je een bonte verzameling handschriften ontmoet. In het archief is alles bewaard, tot en met de ansichtkaarten en de telegrammen aan toe, die steevast beginnen met ‘waarde mevrouw of heer...', waarop bestuursleden zich verontschuldigen dat ze niet bij een vergadering kunnen zijn, of vragen om een nieuwe datum. De conclusie mag duidelijk zijn: 100 jaren archief van de Kring omwerken tot een inzichtelijke geschiedenis, vergt zeer doelgericht en verstandig te werk gaan, en dan nog kost het jaren.

Hier geldt zeker: Tijd is het.

2statuut.jpgStatuut Op de vraag ‘waartoe dient zij' geeft het oprichtingsstatuut antwoord. Het werd aangenomen op 24 juli 1918. Op bladzijde 1 vermeldt Het Statuut dat zij een ‘vereeniging' is, haar naam ‘De Nederl. Kring van Beeldhouwers' en haar vestigingsplaats Amsterdam, en vervolgens haar doel:

werkzaam te zijn in ‘t belang der beeldhouwkunst en die harer beoefenaren,

1 door ‘t houden van tentoonstellingen zoo mogelijk jaarlijks één te Amsterdam, één

te Rotterdam en één te Den Haag;

2 door invloed uit te oefenen bij ‘t uitschrijven van prijsvragen en door zelf prijsvragen

uit te schrijven,

3 door ‘t houden van voordrachten.

(vet door auteur)

Lidmaatschap Het statuut onderscheidt vier soorten leden: ‘Eereleden, werkende leden, kunstlievende leden en donateurs'. Eerelid, kunstlievende lid en donateur kan iedereen worden, maar voor werkende leden gelden bijzondere bepalingen:

• ‘Als werkende leden kunnen worden aangenomen zij die de beeldhouwkunst beoefenen.

• In byzondere gevallen beslist de vergadering van werkende leden of een nevenberoep

geacht moet worden een bezwaar te zijn voor het lidmaatschap.

• Om als werkend lid te worden aangenomen, moet men minstens ½ der uitgebrachte

geldige stemmen op zich vereenigen.'

 

‘Werkende leden', daar draait het dus om in de vereniging. Het staat er niet precies, maar ‘werkende leden' zijn beeldhouwers, die bewezen hebben dat ze beeldhouwer zijn, die van de beeldhouwkunst hun beroep hebben gemaakt, en die daarnaast nog eens door de helft van de - in vergadering aanwezige leden - écht als beeldhouwer worden geaccepteerd. In die begintijd was dat belangrijk, want hoe maak je precies onderscheid tussen een beeldhouwer en een meestersteenhouwer, en is een beeldhouwer die met gips putti aanbrengt tegen een plafond, beeldhouwer of stukadoor?

In de loop van de geschiedenis duikt voor toelating het mooie woord ‘ballotage' op en worden er speciale ballotagecommissies ingericht. Die zullen zich in de loop van de geschiedenis regelmatig voor nieuwe problemen gesteld zien. Want als bijvoorbeeld de meerderheid van de commissie figuratief werkt, worden dan ‘abstracten' wel toegelaten? En wat als, zoals tegenwoordig veelvuldig voorkomt, een beroep gedaan wordt op het lidmaatschap, door lieden die na een werkzaam leven elders, zo rond hun 55e met beeldhouwen zijn begonnen? Wat is dat eigenlijk, ‘beeldhouwen' en wie is nu écht een ‘beeldhouwer'? De ballotagecommissie is de waakhond van de vereniging, die ervoor moet zorgen dat de vereniging zichzelf blijft. Door die behoudende taak zal zij vaak op gespannen voet verkeren met het vooruitstrevende deel van de leden.

 

3bewijs-van-lidmaatschap.jpgJe werd dus, en wordt nog steeds, op de eerste plaats lid omdat De Kring zorgt voor tentoonstellingen, waar jij als beeldhouwer je werk kunt tonen en hopelijk verkopen, of waardoor je misschien zó opvalt, dat je in aanmerking komt voor een opdracht in de openbare ruimte. Tentoonstellingen zijn er in soorten en maten. Je hebt tentoonstellingen waarbij alle leden van de Vereniging zich kunnen presenteren, en je hebt tentoonstellingen waaraan slechts een aantal kunstenaars uit het totale bestand deelnemen, bijvoorbeeld omdat een thema dat vraagt. Je hebt tentoonstellingen in elk van de drie grote steden, maar er is verschil of je werk presenteert in het Stedelijk Museum van Amsterdam of bij Pulchri in Den Haag of bij de Rotterdamse Kunstkring. Aan de ene tentoonstelling moet je als kunstenaar meebetalen en bij de andere wordt zelfs het transport betaald, voor weer een andere geldt een limiet aan het aantal ingezonden werken.

 

Is het wel wenselijk wanneer een ander de plek bepaalt waar je werk komt te staan of de keuze bepaalt van de werken die om dat van jou heen komen te staan? En wat als jij zelf vindt dat jouw werk heel goed past bij het thema maar je niet bent uitgekozen?

Tentoonstellingen brengen in de Kring de poppen aan het dansen: want wie maakt er nou eigenlijk uit wie mee mag doen, en waarom dan, want we zijn toch allemaal lid, en we betalen toch allemaal onze contributie? Zijn we soms niet gelijkwaardig? Ook het allereerste bestuur heeft die kwestie goed begrepen, en riep een tentoonstellingsjury in het leven, die mocht beslissen over de toelating van de deelnemers, democratisch, bij meerderheid en per stembriefje.

 

 

 

 

 

 

Tentoonstellingen De eerste tentoonstelling van de Kring wordt gehouden in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1919. Op dat moment zijn alle bestuursleden van De Kring vanzelfsprekend ook zelf beeldhouwer, en natuurlijk alle leden van de tentoonstellingsjury ook. De jury doet nog geen uitspraak over welke leden mee mogen doen (iedereen is meer dan welkom), maar wel over welke werken zullen worden tentoongesteld uit de inzendingen.

4tentoonstelling.jpgAan de tentoonstelling doen een aantal nu nog vermaarde kunstenaars mee zoals Thérèse van Hall, Gijs Jacobs van den Hof, Hildo Krop, Grada Rueb, Theo van Reijn, Tjipke Visser en Lambertus Zijl. Niet lang voordat de tentoonstelling van start gaat wordt duidelijk dat er meer ruimte ter beschikking komt dan gedacht. Het gaat om de erezaal en de ernaast liggende zalen, en het bestuur roept nogmaals zijn leden op om vooral deel te nemen aan de tentoonstelling en meer werken in te zenden.

In de begeleidende catalogus (er staan geen foto's in van de werken maar alleen titels en nummers) vermeldt het bestuur de drie werkdoelen uit het statuut. Ze schrijft dat er op dat moment in Nederland 75 beeldhouwers zijn, waarvan er 52 zijn aangesloten als lid. Ze verzoekt met klem degenen die nog geen lid zijn, toe te treden tot De Kring en benadrukt in het openingswoord dat ze jaarlijks alles wat er op het gebied der beeldhouwkunst in Holland wordt voortgebracht wil tonen. Dat is een omvangrijke en pretentieuze doelstelling, die volgens het bestuur noodzakelijk is omdat de belangstelling voor beeldhouwkunst ‘gering' is.

Het bestuur klaagt in haar voorwoord dat er geen subsidies zijn voor beeldhouwkunst en noemt beeldhouwkunst in Nederland het stiefkind van de kunsten. Dit in tegenstelling tot het buitenland waar zij grote bloei in de beeldhouwkunst waarneemt, dankzij sterke staatsondersteuning. Het gebrek aan overheidssteun in Nederland, zo betoogt zij, staat in contrast met de groei van de beeldhouwkunst die zich ondanks de oorlogsjaren laat zien, en die haar levensvatbaarheid bewijst. Het bestuur besluit haar voorwoord met een bede om geld van het rijk en van de grote steden voor de beeldhouwkunst in het algemeen, en motiveert de bezoeker om in ieder geval vriendenlid of donateur te worden. De bede is er niet voor niets, want de tentoonstelling bestaat voornamelijk uit kleine plastieken, omdat de leden de transportkosten zelf moeten dragen. Achterin de catalogus is een intekenbiljet toegevoegd om kunstlievend lid te worden voor fl. 10,- of donateur voor fl. 25,-. Kortom, de catalogus wordt niet alleen gebruikt als lijst van de getoonde werken, maar tegelijk als publicrelationsinstrument.

 

Het actieve bestuur, dat bestaat uit voorzitter Tjipke-Visser, secretaris Mevr. A. Brandts Buijs van Zijp, (omstreeks februari '19 wordt Theo van Reijn secretaris) en Penningmeester J. Altorf, gaat meteen aan de slag met het organiseren van een tentoonstelling in Rotterdam voor januari 1919 en voert daarvoor een uitgebreide correspondentie met de Rotterdamse Kunstkring. En zij krijgt van Pulchri Studio in Den Haag, waar de huidige tentoonstelling ‘90 jaar' zich nu bevindt, toestemming om een tentoonstelling te organiseren in april van datzelfde jaar. Het Schilderkunstige Genootschap stelt zich coulant op tegenover haar beeldhouwende kunstcollega's, en geeft de zalen kosteloos in bruikleen. Wel komen de entrees ten bate van het Genootschap maar daartegenover nemen zij de lasten van de suppoosten voor hun rekening.

 

 

In de loop van de geschiedenis zullen beroemde tentoonstellingen volgen. Hieronder volgt een kleine selectie in chronologische volgorde.

 

In 1935 (net voor het Olympisch jaar) in het Stedelijk Museum in Amsterdam waarbij de toegang gratis is maar de catalogus Fl. 0,25 kost. Bekende beeldhouwers die daaraan deelnemen zijn onder andere Leo Braat; Jan Jansen van Galen; Hubert van Lith; Joseph Mendes da Costa; Frits Sieger; Albert Termote; Willem Valk; Johan Wertheim en Han Wezelaar.

 

In 1941 is er opnieuw een tentoonstelling in Amsterdam, die dit keer in het teken staat van de herdenking van Mendes da Costa. Er zijn in totaal 238 catalogusnummers en in de catalogus staat onder andere een advertentie van Hammacher, die er zijn boek Mendes da Costa, de geestelijke boodschap der beeldhouwkunst aankondigt. Er zijn bruiklenen uit de collectie van HP Bremmer, de beroemde ‘kunstpaus' die zoveel invloed had op de collectie van mevrouw Kröller-Müller. En er is werk te zien van nieuwe leden die wij ook nu nog goed kennen: Mari Andriessen, Dirk Bus; Fred Carasso; Corinne Franzen-Heslenfeld; Frits van Hall; Johan Keller; Titus Leeser; Charlotte van Pallandt; John Rädecker; Gerda Rueter; 5buitenbeeld.jpgLambertus Sondaar. In de ‘Beeldengids Nederland' uit het jaar 1994 zegt Jan Teeuwisse, nu directeur van het Sculptuurinstituut Beelden aan Zee er het volgende over:

‘met de woorden "er groeit een beeldhouwkunst in Nederland" opende professor Jan Bronner zijn rede bij de tentoonstelling van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers...

Op dit eerste grote overzicht van de NKB was werk te zien van de pioniers Mendes da Costa en Zijl, van de gevestigde Amsterdamse-schoolgeneratie met Krop, Raedecker en Polet als prominenten, van de opkomende vertolkers van het vrije beeld als Wezelaar, Andriessen en Van Hall, en tenslotte, van jonge veelbelovende Bronneradepten als Bolhuis, d'Hondt en Limpers.(...) De tentoonstelling was een markant punt in een ontwikkeling die nog maar kort daarvoor op gang was gekomen. Dankzij een half dozijn beeldhouwers was de "tere plant, welke de Hollandse beeldhouwkunst was", in leven gehouden. Bronner doelde met die uitspraak op Leenhoff, Van Hove, Falise en andere vertegenwoordigers van de naturalistische traditie, die zijn oorsprong had in het internationale academische onderwijs van de 19e eeuw. Onder het devies ‘terug tot de werkplaats' hadden Mendes da Costa en Zijl de basis gelegd voor een eigen en eigentijdse beeldhouwkunst, een basis waarop de generatie van Bronner kon voortbouwen. Het waren deze "kerels in een werkkiel" geweest die in 1918 de NKB hadden opgericht, de weerbare vakorganisatie die in 1941 met trots kon terugkijken op hetgeen was volbracht in die bijna 25 jaar. De beeldhouwer was geëmancipeerd van ambachtsman tot kunstenaar, wiens bijdragen aan de vormgeving van de openbare ruimte als onmisbaar werd beschouwd. Bronner kon, geheel in de trant van die dagen, met recht vaststellen dat het door de oude plant verspreide zaad had gewerkt. Van een toegepaste kunst was de Nederlandse beeldhouwkunst geëvolueerd tot een discipline die op eigen benen kon staan.'

 

Overigens zouden nogal wat leden na de instelling van de ‘Kultuurkamer' in november 1941, weigeren tot een van de ‘Gilden' toe te treden en een ‘Ariërverklaring' te ondertekenen. Zij zegden begin 1942 hun lidmaatschap van De Kring op, om zichzelf en het bestuur niet te hoeven compromitteren. Wanneer de oorlog voorbij is stuurt het bestuur aan alle (ex-)leden een formulier, waarop zij moeten aangeven of zij de ariërverklaring hebben ondertekend, en zo ja waarom, om te beoordelen of zij lid kunnen blijven van de vereniging.

 

In 1946 volgt de beroemde tentoonstelling naar aanleiding van de Prijsvraag Renesse, ik kom er onder het kopje Prijsvragen nog op terug.

 

In 1949 start de 1e reeks tentoonstellingen in park Sonsbeek in Arnhem, als triënnale tot en met het jaar 1958. Voor deze vier tentoonstellingen benoemt de Kring telkens de jury van artistieke leiders. Vanaf 1971 worden externe artistieke leiders benoemd, zoals Wim Beeren die dan ‘Sonsbeek buiten de perken' samenstelt. De invloed van De Kring is vanaf dat moment sterk minder en de Sonsbeektentoonstellingen worden nog maar ééns in de zeven jaar gehouden.

 

In 1975 start een andere serie grote tentoonstellingen in het Amstelpark, het voormalige Floriade-terrein op de grens tussen Amsterdam en Amstelveen. De eerste tentoonstelling, die gehouden wordt naar aanleiding van Amsterdam 700 jaar stad, kent maar liefst 92 deelnemende beeldhouwers. In de tentoonstelling wordt het atelier van Brancusi nagebouwd en Edy de Wilde schrijft in de catalogus een introductie over de relatie schaal - ruimte - omgeving. Sommige beeldhouwers gebruiken de werkelijke buitenruimte en de natuur, zo betoogt hij, maar er zou ook architectuur moeten komen ‘voor die beeldhouwkunst die zich niet met het buiten zijn verdraagt'.

In 1978 is er opnieuw in het Amstelpark een tentoonstelling, er zijn nu zelfs 114 deelnemers. Dit keer schrijft Rudi Oxenaar de introductie, over de toenemende trend van beeldhouwkunst, die ontstaat in relatie tot de plek waar het komt te staan. Hij spreekt over de ‘concurrentie' tussen park/natuur en een stedelijke locatie, en beargumenteert dat met een lezing over het verschijnsel beeldenparken die ná wereldoorlog II zijn ontstaan: Battersea, Middelheim, Kröller-Müller, Sonsbeek.

In 1981 is de derde Amstelpark tentoonstelling, met 97 deelnemers. In de introductie spreekt Jerven Ober over beelden als ‘residu van menselijk gedrag', dat wil zeggen ‘beeldhouwwerk als uitspraak over wie we zijn en hoe we zijn op een bepaald moment in een bepaalde context'.

 

Bij de vierde en laatste Amstelpark tentoonstelling in 1984, met ‘slechts' 63 deelnemers, betoogt Marianne Brouwer in haar inleiding, dat beeldhouwkunst in een park een onschadelijk element vormt in een esthetische setting. Het Amstelpark is een ideaal paradijs en ze geeft als advies: ‘bezin je op hoe een tentoonstelling méér kan zijn dan een geboden gelegenheid'. Deze vier Amstelpark tentoonstellingen tonen hoe de 6contributielijst.jpgorganisatie van het tentoonstellen overgaat van de beeldhouwers van De Kring in handen van curatoren, externe specialisten met niet een beeldbouwkundige, maar theoretische achtergrond.

 

Nu de deur daarmee is opengezet voor bemoeienis van buitenaf en nu die niet meer als beperkend wordt ervaren, ontstaan kleinere tentoonstellingen met een dynamisch en dieper gravend thematisch karakter, waarbij de curator een selectie maakt uit het ledenbestand. De reeks bij Kasteel Groeneveld, in samenwerking met Staatsbosbeheer, is hier een voorbeeld van. In 1996 bij de 11e tentoonstelling De wegen liggen in een reis in het park van kasteel Groeneveld in Baarn, schrijft Mari Shields, een van de deelnemende kunstenaars:

was er voor de landschapsarchitect van Staatsbosbeheer in 1983 nog de vraag of de tuin van kasteel Groeneveld wel gestoffeerd moest worden met beeldende kunst. Nu 13 jaar en 10 tentoonstellingen later wordt die vraag ook door de landschapsarchitect volmondig met ‘ja' beantwoord. En zo wordt ook dit jaar inhoud gegeven aan een voornemen dat in 1977 werd verwoord in het rapport "Zicht op Groeneveld", om kunst en natuur in en rond kasteel Groeneveld nadrukkelijk met elkaar te verbinden.'

De Kring had opnieuw met succes een plaats voor de beeldhouwkunst in onze maatschappelijke wereld bevochten.

 

In de loop der jaren zijn de locaties waar de kunstwerken werden getoond, uitgebreid van de drie grote steden naar het hele land. Zolang er geen inventarisatie is gemaakt uit het archief bij het RKD, zal onduidelijk blijven hoeveel het er geweest zijn en waar ze plaats hebben gevonden. Wie nu nog ‘antiquarisch' zoekt vindt bijvoorbeeld Aktieradius in dialogen 1994 Landgoed kasteel Daelenbroeck te Herkenbosch; Beelden binnen, Stedelijk Museum Amsterdam 1984; Beelden op de Floriade 1982; Ruimte voor beelden, [al dan niet] Tentoonstelling in het kader van het 75-jarig bestaan van de NKvB 1994; Prometheus Licht in beeld, Hoogovensgroep 1988; Twee materialen en een beeld Stedelijk Museum Amsterdam 1982. Het is zomaar een greep. En van recenter datum De jaarringen in het beeld, een reizende tentoonstelling van de Nederlandse Kring van beeldhouwers (CD 1998), beelden "in verandering" tussen winter en lente rond kasteel Groeneveld in Baarn, 1998; Verbeelding, Nieuwe sculpturen van de Nederlandse kring van beeldhouwers in de tuin van Kasteel het Nijenhuis bij Heino en de Bergkerk te Deventer 2002, of Boulevard des Arts, De Nederlandse Kring van Beeldhouwers presenteert in samenwerking met STOK in het Kruithuis 's-Hertogenbosch in 2007.

 

In het begin van de 20e eeuw, toen bijna alle vaderlandse beeldhouwers lid waren van De Kring, gaven de tentoonstellingen een redelijk volledig beeld van wat er in Nederland op beeldhouwterrein werd gepresteerd. Maar naarmate de jaren vorderden, het aantal beeldhouwers groeide, en met hen de disciplines waarin zij zich specialiseerden, nam de motivatie voor generaliserende overzichten af. Een tentoonstelling zoals die in 2008 in Pulchri wordt gehouden, met Anne Berk als curator, die zelf een selectie samenstelt uit het bestand van de leden, aan de hand van een door haar zelf geformuleerd thema, is bedoeld om een tentoonstelling te zijn die een sterke innerlijke samenhang vertoont. De beeldhouwwerken versterken elkaar en de tentoonstelling toont als geheel meer kwaliteit. Tentoonstellen is in de loop der jaren een vak apart geworden.

7monumentencommissie.jpgPrijsvragen Het tweede doel volgens het statuut is: invloed uitoefenen bij of zelf uitschrijven van prijsvragen. Prijsvragen gaan voornamelijk om monumenten en om kunst voor de openbare ruimte. Er was altijd al speciale belangstelling voor monumenten bij de Kring, getuige dit kleine briefje uit 1919 waarin Theo van Reijn Lambertus Zijl uitnodigt om zitting te nemen in de ‘commissie van advies inzake monumenten'.

 

De Nederlandse Kring van Beeldhouwers, vreesde direct na de oorlog als gevolg van de bevrijdingsroes een vloedgolf van artistiek weinig geslaagde monumenten. Op 1 augustus 1945 publiceerde de Kring het volgende stukje in de ‘Telex':

‘Zal deze of gene uit het comité met een plannetje of tekeningetje komen van een bankje of een uitzonderlijk stuk metselwerk, afgezaagde onderwerpen van huldigingsblijken? Of met een modelletje door een dame van zijn kennis gemaakt "wat toch zo bijzonder lief en aardig is ..." en niets kost? Of zal de rechte weg gevonden worden: zich te wenden tot een bekwaam kunstenaar, naar aanleg en door ondervinding de aangewezen man om de gevoelens van de opdrachtgevers in het materiaal en de vormgeving van het monument te vertolken?'

Naar de argumenten van de Kring is in Den Haag goed geluisterd: op 15 oktober 1945 wordt bij Koninklijk Besluit aangekondigd dat het plaatsen van gedenktekens op de -openbare weg, of zichtbaar vanaf de openbare weg, alleen is toegestaan nadat het ontwerp goedgekeurd is door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Daartoe wordt op rijksniveau een Centrale Commissie ingesteld, ondersteund door elf Provinciale Commissies.

 

De Kring zelf laat het niet alleen bij haar kritische kanttekeningen, maar schrijft zelf als voorbeeld na dit overheidsbesluit een prijsvraag uit, de zogenaamde ‘prijsvraag Renesse', die uitmondt in een tentoonstelling. Het thema van de prijsvraag betreft de tragische gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in december 1944 op Schouwen-Duiveland, en die leidden tot de dood van een aantal verzetsmensen uit Renesse. De tentoonstelling draagt als ondertitel ‘Tentoonstelling van ontwerpen voor monumenten'. Secretaris Jan W. Havermans schrijft in zijn ‘Ter begeleiding':

nu is deze prijsvraag die De Kring uitschreef geen eigenlijke prijsvraag. Er is geen prijswinnaar, er is geen rangorde van verdienste. Dit was ook de bedoeling niet. De bedoeling, die wij voor hadden, was de vele comités en gemeentebesturen, die onkundig waren van de bekwaamheden der beeldhouwers, een overzicht van die bekwaamheden te geven, zodat zij, geleid door de ervaring die de beschouwing der ontwerpen hen leverde, in staat zouden zijn bewust een kunstenaar te kiezen, wien zij met vertrouwen de opdracht konden verstrekken voor hen een monument te maken. Uiteindelijk beoordeelt de jury 14 inzendingen rechtstreeks voor de prijsvraag Renesse, en stelt nog eens 43 werken tentoon als werken buiten het verband van de prijsvraag, (die) ‘van voldoende artistieke en technische kwaliteiten getuigden'.

 

8beeld-krop.jpgWat op dit moment - 62 jaar later - opvalt is de ingetogen symboliek die de meeste beelden tonen, waarbij niet het directe lijden van de slachtoffers bruut ten tonele wordt gevoerd, maar overdrachtelijk de uiting van innerlijke gevoelens die worden opgeroepen bij de nabestaanden en de toeschouwer. Havermans:

Van uitdrukking in de vorm tot uitdrukking door de vorm is een lange weg. Hij eist dikwijls een heel mensenleven voor zich op. Maar evenzeer is de weg van ontwerp tot voltooid werkstuk een moeizame. Hoeveel denkbeelden moeten dikwijls niet prijs gegeven worden, hoeveel nieuwe niet veroverd worden, hoeveel zelfkritiek moet niet geoefend worden, voor de maker met een gerust hart zeggen kan, dat hij zich uitgesproken heeft.'

In het besef dat de nieuwe traditie in de beeldhouwkunst van Nederland nog zeer ‘jong' is wordt door de Kring tevens een congres belegd, ‘waar een aantal sprekers uit binnen- en buitenland van hun inzichten in het monumenten-vraagstuk blijk zullen geven'. Het uiteindelijk tot stand gekomen monument in Renesse zelf, is van de hand van J.W. Havermans.

 

Voordrachten Ook de doelstelling om ‘voordrachten' te houden moet als een historisch gegeven worden bezien: er werd ten tijde van de oprichting van de Kring een groot gebrek gevoeld aan theoretische reflectie. Musea waren vooral bezig met ‘bewaren' en op wetenschappelijk niveau werd voor de oorlog nauwelijks aan theorievorming over kunst gedaan, laat staan over eigentijdse beeldhouwkunst. Na de Tweede Wereldoorlog verandert het spectrum definitief en komt er een hele garde nieuwe museumdirecteuren en kunsthistorici, die de beschouwing over de nationale en internationale beeldhouwkunst gaan voeden.

In 1981 nog tijdens hetzelfde jaar waarin de vierde triënnale van het Amstelpark plaats vindt, begint de Kring met het organiseren van het beeldhouwerssymposium onder de noemer ‘Oost West Forum'. In het voorwoord bij de tentoonstellingen schrijft Lucien A. M. den Arend, de toenmalige secretaris:

de Nederlandse Kring van Beeldhouwers achtte het nodig om, naast deze grote openluchttentoonstelling, waar het publiek de gelegenheid krijgt om kennis te nemen van de hedendaagse beeldhouwkunst in Nederland, ook een internationale manifestatie te organiseren. In het begin van 1981 ontstond het plan Japanse beeldhouwers uit te nodigen om met hun Nederlandse collega's in een symposium samen te werken. De projecten zouden gerelateerd moeten zijn aan een bepaalde omgeving en ze zouden ter plekke moeten worden gemaakt.'

In de catalogus verschijnen artikelen van de kunsthistorici Paul Hefting, Saskia Bos en de Japanner Toshiaki Minemura. Het symposium vindt plaats in juni en juli 1983 en in 1984 wordt het bijbehorende boek uitgegeven door de Kring in samenwerking met Uitgeverij de Mandarijn. In zijn inleiding op het begrip symposia zegt Paul Hefting:

Evenals rond 1900 toen de kunst als tastbaar bewijs van het hogere en daarom als heilzaam voor de mensheid werd beschouwd, herleefde na de laatste oorlog het verlangen om de kunst weer een functie in de maatschappij te geven. Het leidde in Nederland tot de opdrachtenregelingen voor overheidsgebouwen, waarbij de sculpturen veelal geprefereerd werd boven de schilderkunst' en ‘In de maanden waarin de voorbereidingen voor het Oost West Forum werden getroffen waren er in Nederland een aantal beeldhouwkunst tentoonstellingen te zien, die samen een goed overzicht gaven van de internationale en Nederlandse sculptuur van de laatste decennia: Beelden, Nederlandse beeldhouwkunst uit de jaren 9oost-west-forum.jpg1945 tot 60 (museum Fodor, Amsterdam), De Statua, internationale sculptuur (Stedelijk Van Abbemuseum, Eindhoven), Ruimtelijk werk, recente beeldhouwkunst uit Nederland (Gemeentemuseum en academie voor beeldende kunst, in Arnhem), Groene wouden, drie Nederlands beeldhouwers (Rijksmuseum Kröller-Müller, Otterlo) en Beelden 1983, een internationale tentoonstelling van nieuwe sculptuur (Rotterdamse Kunststichting). Na de aandacht voor het nieuwe schilderen richt de belangstelling zich nu ook op de sculptuur, een fase van een golfbeweging. Als het Oost West Forum tegen deze achtergrond wordt gezien, is het duidelijk dat het resultaat van dit symposium in Dordrecht slechts gedeeltelijk met de recente ontwikkelingen in de sculptuur samenhangt.

Die relatie is indirect omdat er bij deze ontmoeting tussen Japanse en Nederlandse kunstenaars sprake was van een gezamenlijk project met daarbinnen individuele uitdrukkingsvormen. In combinatie van autonome kunstwerken met een -in zekere zin- gebonden opdracht: het vormgeven aan het terrein van de voormalige Victoria fabriek'.

Oost West Forum is opnieuw succes voor een van de initiatieven van De Kring.

Archief In een eeuw tijd is in Nederland de beeldhouwkunst zo enorm gegroeid, dat we nu rustig kunnen spreken over Nederland-Beeldhouwland. In de loop der jaren wordt duidelijk

• dat de Nederlandse kring van Beeldhouwers niet een ‘gewone' vakcentrale is;

• dat verenigingstentoonstellingen het cement zijn binnen de vereniging;

• dat toelating tot een tentoonstelling door een jury geen garantie is voor een kwalitatieve goede tentoonstelling;

• dat het geballoteerde lidmaatschap binnen de vereniging kwaliteit waarborgt;

• dat de vereniging invloed kan uitoefenen bij de voordracht van leden voor opdrachten in de openbare ruimte;

• dat de term ‘beeldhouwkunst' niet eenduidig is.

 

Het archief van De Kring bevat een weerslag van groei en bloei, maar ook van moeilijke tijden, in de Nederlandse beeldhouwkunst. Het archief is nu in bruikleen bij het RKD, en als je het wilt inzien moet je toestemming hebben van het bestuur van De Kring. Daar is wat mij betreft geen bezwaar tegen, maar toch doe ik hierbij de aanbeveling om het definitief over te dragen aan het Rijksbureau Kunsthistorische Documentatie.

Op de eerste plaats omdat het zo'n veelomvattend archief is, dat het werkelijk van nationaal belang is. Door de vele mogelijke ingangen en kruisverbindingen met het maatschappelijk leven, tekent het archief niet alleen de kunsthistorische geschiedenis van de beeldhouwkunst in Nederland, maar brengt ook de brede geschiedkundige ontwikkeling van ons land aan het licht.

Op de tweede plaats omdat het fysiek zo'n omvangrijk archief is, dat binnen de vereniging niet genoeg expertise, tijd en middelen voorhanden zijn om het professioneel te beheren. Het is ook niet de taak van de vereniging zelf.

Op de derde plaats om het zó openbaar te maken, dat het door iedereen geraadpleegd kan worden, terwijl er voldoende toezicht op de raadpleging wordt uitgeoefend.

Op de vierde plaats om een logische plek te creëren waar de vervolguitbreiding gedeponeerd kan worden.

Op de vijfde plaats om het uit te tillen boven persoonlijk belang en de geest van een beperkte periode.

Op de zesde plaats omdat het elk nieuw bestuur kan stimuleren om uit te stijgen boven zichzelf en de energie geeft om vertouwen te hebben in eigen, nieuwe initiatieven.

 

Er zijn vast nog meer redenen te verzinnen, bijvoorbeeld omdat je onbevooroordeeld wilt kunnen inzien waarom je lid zou worden van deze verenging.

Je sluit je aan bij de Nederlandse Kring van Beeldhouwers omdat die zich onderscheidt van andere verenigingen, zoals Pulchri, Arti of ‘De Onafhankelijken'. Je sluit je aan omwille van haar identiteit, die zichtbaar wordt in haar activiteiten. Die identiteit geeft haar een zekere status en verleent daarmee status aan haar leden. Op hun beurt geven de leden status aan de vereniging, doordat hun werk wordt opgenomen in verzamelingen, musea, of de openbare ruimte.

 

Dat is de reden waarom historisch besef zo van belang is. Want identiteit groeit met de jaren en met de leden. En identiteit is iets waarop je kunt terugvallen, bijvoorbeeld wanneer je nadenkt over ‘‘t belang der beeldhouwkunst en die harer beoefenaren'.

 

 

 

 

Jeroen Damen, Hoorn 23 juli 2008

 

 

 

 

 

Bronnen

Mijn dank gaat uit naar Lidy Visser en Ramses van Bragt, archivarissen van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. In dit document zijn afdrukken gebruikt van digitale foto's die ik ter plekke maakte met welwillende toestemming van het RKD. De stukken dragen nu nog voorlopige inventarisnummers, die in de toekomst, als de inventarisatie compleet is, aangepast zullen worden. Voorts raadpleegde ik een aantal catalogi van De Kring:

Stedelijk Museum te Amsterdam - Catalogus 1919

Stedelijk Museum A'dam 6 april -28 april 1935

Stedelijk museum A'dam 1 feb-2mrt 1941

MONUMENTEN Stedelijk Museum Amsterdam 15-11 t/m 15-12 1946

AMSTELPARK 75 van 4/6-31/8 1975

AMSTELPARK 78 van 24/5-31/8 1978

AMSTELPARK 81 van 28/4-31/8 1981

AMSTELPARK 75 van 12/5-02/09 1984

Oost West Forum 1984

Kasteel Groeneveld 1987

10 Kruispunten van 29/5-09/06 1989

De wegen liggen in een reis van 1/6-21/10 1996

De jaarringen in het beeld van 31/1-31-5 1998

Verbeelding [Heino en Deventer] 2002

 

 

Geschiedenis van de NKvB, Piet Esser

pietesserportrcharlvanpallandlowres.jpgNelleke van Zeeland

 

Piet Esser (1914-2004) neemt een prominente plek in binnen de Nederlandse beeldhouwgeschiedenis. Dit komt niet alleen door zijn aansprekende en gevarieerde oeuvre, maar ook door zijn werk als docent en zijn vele nevenactiviteiten in bijvoorbeeld besturen en adviescommissies. Als opvolger van professor Jan Bronner heeft hij tussen 1947 en 1979 vele beeldhouwers opgeleid aan de Amsterdamse Rijksacademie. Enkele bekende leerlingen zijn Geer Steyn, Jan Wolkers en Gooitzen de Jong.

Ook op andere gebieden was Esser actief met de kunsten bezig. Hij was een van de eersten die de penningkunst als volwaardige kunstvorm omarmde en was tussen 1957 en 1972 bestuurslid van de Vereniging van Penningkunst. Vanaf 1950 was Esser vice-voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, om in 1954 tot voorzitter te 'promoveren'. Tot 1958 zou hij deze functie blijven bekleden. Uit vooral dit voorzitterschap blijkt Essers grote passie en inzet voor de beeldhouwkunst en blijkt zijn compassie met (de omstandigheden van) collega-beeldhouwers. Dat hij deze post aanvaardde was echter niet zo vanzelfsprekend...

 

De notulen van bestuursvergaderingen en algemene ledenvergaderingen geven enig inzicht in de wijze waarop Esser voorzitter werd en vervolgens de Kring probeerde te sturen. Deze stukken zijn gedeeltelijk geïnventariseerd en worden bewaard bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag (onder archiefnummer 212). Helaas zijn over de periode dat Esser voorzitter was weinig notulen terug te vinden. De meest interessante episode beschrijft de roerige periode rond Essers aantreden.

Midden jaren vijftig was er namelijk veel onenigheid binnen de Kring en trad voorzitter Han Wezelaar onverwachts af. Directe redenen hiervoor waren een in zijn ogen mislukte tentoonstelling (Beelden op het Frederiksplein, Amsterdam 1954) en een brief van lid Hans Ittman, waarin deze flinke kritiek uitte op Wezelaar. Over het algemeen vond Wezelaar de houding van de Kringleden teleurstellend. Hij categoriseerde ze als goedwillenden, die wel het beste voor hadden met de vereniging, maar er het liefst geen tijd en energie in wilden steken en de ontevredenen, die zich oncollegiaal opstelden en vooral tegenwerking boden bij gezamenlijke initiatieven.

De toestand binnen de Kring was dus op zijn minst gespannen te noemen, toen Esser het roer in handen nam. Hij besefte dit zelf maar al te goed en het lijkt erop dat hij deze taak dan maar op zich nam, omdat hij de vereniging niet ten onder wilde laten gaan. Dat hij voor een zware taak stond, was voor alle betrokkenen overduidelijk.

           

De speech die Esser hield tijdens zijn eerste algemene ledenvergadering als voorzitter, op 18 december 1954, staat als volgt genotuleerd: De nieuwe voorzitter, de heer Esser, verklaart, dat het wel het laatste wat hij ambieerde, is het voorzitterschap van de Kring. De beeldhouwer als individu dwingt zijn respect af, een groep beeldhouwers schept echter slechts moeilijkheden. (...) Bij de verscheidenheid van gezicht in de beeldhouwkunst berijdt ieder zijn eigen stokpaardjes. Dit is een logisch gevolg van de verschillend gerichte kunstenaars-intelligentie. De laatste tijd heeft echter het verschil van mening wel eens geleid tot persoonlijke rancune, gevolg van niet willen respecteren van elkaars mening. Men doet goed zulke dingen niet voor het forum van de vergadering te brengen. Er is altijd de binding tussen ons en dat is de fanatieke wil om het beste te geven van wat in ons is. De Kring zal een hecht front moeten vormen tegen de valse profeten, die spelen op de onwetendheid en daaruit profijt trachten te trekken. Het enig afdoende wapen daartegen is, dat wij niet in ons hol kruipen, doch met ons werk naar buiten treden. Er is grote vraag: laten wij de terreinen niet laten inpikken door de beunhazen!

           

janbronnerportrvanpietesserlowres.jpgDe boodschap van Esser is duidelijk: houd nu maar eens op met onderling gekonkel en zorg voor goede kunst! Dit is later tijdens Essers voorzitterschap de rode draad en de doelstelling gebleven. In twee notulen zijn dergelijke initiatieven terug te vinden. Op 16 mei 1955 stelt de voorzitter in de bestuursvergadering voor om een folder van de Kring uit te gaan geven. Esser heeft al een ontwerptekst gemaakt; de verdere uitwerking en financiering moet nog worden geregeld.

Ruim een half jaar later, op 17 december 1955, begint Esser de algemene ledenvergadering als volgt: Het verheugt de spreker de leden te kunnen mededelen dat het heden nu eens over beelden zal gaan, en niet, zoals gewoonlijk over verenigingszaken. Het afgelopen jaar overziende constateert spreker dat de Kring zich naar buiten meer heeft getoond door jureren en advies dan door het tonen van werk. (...) Wij moeten ons werk tonen. De laatste Kringtentoonstelling werd gehouden in 1941. Er is alle reden nu eens revanche te nemen voor alle slechte tentoonstellingen van de laatste jaren op het gebied van beeldhouwkunst.

 

Het voorstel is een tentoonstelling in Amsterdam, of als Amsterdam niet mogelijk blijkt, een andere grote stad, in oktober 1956 of februari 1957. De geëxposeerde werken moeten via jury's worden geselecteerd. Over de precieze samenstelling van deze jury's en de wijze van jureren zal nog uitgebreid worden gedebatteerd, maar het doel van Esser is in elk geval weer een duidelijke beweging in de richting van de kunst.

            Dit initiatief heeft uiteindelijk geleid tot een tentoonstelling in Rotterdam, Nederlandse beeldhouwkunst '57. In museum Boymans waren tussen 15 mei en 7 juli 1957 kunstwerken van Kringleden en enkele uitgenodigde kunstenaars geëxposeerd. De inleiding in de catalogus verwoordt het belang dat de vereniging aan deze tentoonstelling hecht: Er kan niet voldoende aandacht op gevestigd worden welk een belangrijke taak in de wederopbouw van de stad voor de beeldhouwkunst in al haar aspecten: vrij, als monument of toegepast, gebonden aan gebouwen, buiten in het stadsbeeld of binnen in bouwwerken, is weggelegd en hoe zeer de Nederlandse beeldhouwkunst, in haar verscheidenheid van talenten en opvattingen, er om vraagt haar aandeel in deze taak te vervullen. Prikkelend aan deze tekst is dat expliciet wordt beschreven dat er wel degelijk verschillende opvattingen binnen de Kring heersen, maar dat de beeldhouwers nu gezamenlijk naar buiten treden.

 

Zo heeft Esser keer op keer de beeldhouwkunst centraal gesteld en geprobeerd onderlinge onenigheden aan de kant te schuiven. Een knappe prestatie voor een voorzitter, die in een turbulente tijd en zeker niet uit eigen beweging het roer van de Kring in handen nam.

 

Nelleke van Zeeland is kunsthistorica en projectmedewerker van het Sculptuur Instituut en in die hoedanigheid betrokken bij het retrospectief van Piet Esser.

 

Afbeeldingen:

Portret van Charlotte van Pallandt door Piet Esser

Penning met portret van Jan Bronner door Piet Esser

Op http://cultuurgids.avro.nl/front/detailcloseup.html?item=ef8da8d056426d392d776d042c4c35a4 is de uitstekende documentaire Verbeelden van het zien over Piet te zien van de hand van Hansje Ran gemaakt in opdracht van Avro Close Up (of Google > Piet Esser + AVRO).

Informatie over de Beeldenstorm

 

Beeldenstorm

Beeldenstorm is een kunstenaarswerkplaats. Kunstenaars en vormgevers worden hier in staat gesteld hun ideeën ruimtelijk (3-dimensionaal) vorm te gegeven. Beeldenstorm is gespecialiseerd in het gieten van metalen en beschikt daartoe over een volledig geoutilleerde kunstgieterij. 

De werkplaats richt zich in het bijzonder op kunstenaars en vormgevers die een onderzoekende, open werkwijze hanteren waarin het experiment niet geschuwd wordt en waarbij nieuwe oplossingen worden gezocht. Een breed scala aan talenten, van studenten tot gerenommeerde kunstenaars uit binnen- en buitenland werken naast elkaar, met ondersteuning en kennis van deskundige begeleiders.

 

Geschiedenis

In 1992 werd de Kunstenaarswerkplaats Beeldenstorm opgericht naar aanleiding van een schenking van bronsgieterijbenodigdheden door Harry Storms, beeldend kunstenaar en start in 1994 met een werkplaats op het terrein van de Technische Universiteit te Eindhoven. In de loop van de jaren heeft de werkplaats zich ontwikkeld tot een instelling die naast het bieden van een facilitair aanbod diverse projecten, workshops en lezingen organiseert. In 2001 vestigde het Meulensteen Art Centre zich naast Kunstenaarswerkplaats Beeldenstorm. Grafisch atelier Daglicht verhuisde naar het MAC. Naast Grafisch Atelier Daglicht huisvest het MAC drie gastateliers,die door Beeldenstorm en Daglicht ingezet kunnen worden voor projecten.

Activiteiten

De werkplaats is een plek om elkaar te ontmoeten en experimenteel te werken. Hier vindt uitwisseling van kennis plaats over nieuwe ontwikkelingen van technieken ter vervaardiging van driedimensionale beelden. Voor academies, scholen, musea en bedrijven worden in onderling overleg workshops op maat ontwikkeld. De workshops kunnen zo aansluiten op bestaande of nieuw te ontwikkelen lesprogramma's.

In samenwerking met de werkplaatsbegeleiders ontwikkelen studenten van de Design Academy Eindhoven nieuwe producten voor hun (afstudeer)projecten. Voor medewerkers van de faculteit Bouwkunde van de TUe geeft Beeldenstorm introductieworkshops over de diverse facetten van het gieten van metalen.

In samenwerking met andere instellingen wordt onderzoek gedaan naar bestaande technieken, en wordt actief gezocht naar mogelijke toepassingen van de nieuwste technieken. Beeldenstorm participeert momenteel in een onderzoek van het Rijksmuseum naar de samenstelling van metaallegeringen zoals gebruikt in de Renaissance.

Projecten

 

Beeldenstorm organiseert met regelmaat projecten, workshops en lezingen. In 2008 is zo het project "kleinplastiek" tot stand gekomen, in samenwerking met de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Een ander voorbeeld is de samenwerking met de Rhino-Academie http://www.rhinoacademie.com/ , waarmee een cursus "ontwerpen op de computer" werd georganiseerd. Deze activiteit werd georganiseerd voor leden van de Kring, in het kader van het project "Kleinplastiek"  Ook andere kunstenaars en vormgevers konden zich inschrijven voor deze cursus. 

 

 

 

 

 

 

 

Werkplaats

Beeldenstorm beschikt over een goed geoutilleerde werkplaats. De inrichting van de werkplaats is erop afgestemd dat men zoveel mogelijk zelfstandig gebruik kunnen maken van de faciliteiten. Ter ondersteuning en advies is er dagelijks begeleiding aanwezig. De werkplaatsbegeleiders beschikken over een gedegen kennis van materialen, vaardigheden en technieken, gericht op het gieten en afwerken van kunstobjecten.

De volgende technieken en materialen kunnen worden gebruikt:

                        - vacuümgieten

                        - cire perdue gietmethode

                        - brons, (90/10 legering), (RG 5, loodbrons, sil.brons), 

                        - aluminium, tin, messing

                        - emailleren

                        - vervaardigen van mallen (rubber, gips)

                        - patineren

                        - construeren in metaal (lassen, e.d.)

 

maximum formaat:

                        - uitstookoven        (HxBxD = 150x118x 98cm)

                        - bronssmeltoven   (tot 100 kg)

                        - emailleeroven       (HxBxD = 55x50x50cm)

                        - patineercabine     (HxBxD = 245x230x230cm)

                        - zandstraalcabine (HxBxD = 65x105x60cm)

In de werkplaats is verder aanwezig:

                        - au-bain-marie waspannen

                        - polijstmachine

                        - kolomboormachine

                        - freesmachine met kruistafel    

                        - metaalafkortzaag (x=250mm)

                        - handgereedschap

                        - haakse slijpers

                        - persluchtgereedschap

                        - bandschuurmachine

                        - Lasapparatuur (brons, rvs, staal)

                          - tig lasapparatuur (350 amp)

                          - mig lasapparatuur (320 amp)

 

 

Geschiedenis van de NKvB

Historie en wetenswaardigheden van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers:

- 90 jaar 'Belang der Beeldhouwkunst', de NKvB van 1918 tot 2008, Jeroen Damen
Oorlogsmonumenten en de NKvB, Corrie van de Vendel
- Kunstenaars van de Kultuurkamer, Claartje Wesselink (samenvatting)
- Het nut en belang van de kunstenaarsvereniging, Jaap Roëll
- Gerrit Bolhuis (1907 - 1975), Nelleke van Zeeland
- Piet Esser (1914 - 2004), Nelleke van Zeeland
-
Jan Meefout (1915 - 1993), Nelleke van Zeeland
Muurvast en Gebeiteld, Ype Koopmans (inleiding)
- Eva Mendlik (1928 - 2014), Gerhild van Rooij (in memoriam)


Overleden Kringleden
- Voormalige leden van de NKvB

Lid worden?

Ben je nog geen Kringlid, maar zou je graag deel uitmaken van een enthousiaste groep ruimtelijk werkende, professionele beeldend kunstenaars? Meld je aan bij de menu-optie Login, de keuze 'Lid worden? Klik hier'. Ben je geen beeldend kunstenaar, maar draag je de driedimensionale kunsten een warm hart toe? Word dan vriendenlid door te kiezen voor de laatste optie in het Login-menu.

Ben je al lid, maar kun je niet inloggen en heb je nog geen toegang tot het Ledenmenu? Kies dan voor de menu-optie 'Login' en vervolgens voor "Wel lid, niet zichtbaar in de ledenlijst, geen toegang tot ledeninformatie? Klik hier". Vul het formulier in en je krijgt snel en zeker binnen 24 uur toegang tot het ledengedeelte, waar je naar eigen voorkeur je persoonlijke pagina kunt invullen met werkfoto's, je eigen e-mailadres en een verwijzing naar je eigen website. Bedenk dat veel particulieren en officiële instanties die Ledengegevens bekijken bij het vinden van geschikte kandidaten voor informatie, tentoonstelling of opdracht.

 

Geschiedenis van de NKvB, Gerrit Bolhuis

Gerrit Bolhuis en de NKvB 

Nelleke van Zeeland

Op 20 maart 2009 opent in Beelden aan Zee een tentoonstelling over ons lid Gerrit Bolhuis (1907 - 1975). Ter gelegenheid van die expositie schreef kunsthistorica Nelleke van Zeeland speciaal voor de Kring-site een kort overzicht van Gerrit's leven en zijn aanvankelijk moeizame contacten met de toenmalige Amsterdamse regio van de NKvB.

 

Lees meer: Geschiedenis van de NKvB, Gerrit Bolhuis

Lidmaatschapsinformatie

Drie smaken lidmaatschap
De NKvB kent verschillende soorten lidmaatschap. Voor nieuwe leden zijn er drie van belang: werkend lid, aspirantlid en vriendenlid.

Ballotage op professionaliteit, kwaliteit en motivatie
Voor nieuwe leden kent de Nederlandse Kring van Beeldhouwers het normale lidmaatschap als werkend lid en het aspirantlidmaatschap voor academieverlaters. Lid worden kan alleen nadat de professionaliteit, de kwaliteit van het werk en de motivatie van de kandidaat getoetst is door een groep van minstens vijf Kringleden (ballotagecommissie), die geen bestuurslid zijn. Academieverlaters kunnen onder voorwaarden tijdelijk lid worden na een 'milde' ballotage tegen een gereduceerd tarief. Daarbij kent de NKvB ook nog het vriendenlidmaatschap, uiteraard zonder ballotage. 

Er komt 4 x per jaar een ballotagemoment. De van te voren vastgelegde data staan in de Nieuwskolom op deze website gepubliceerd, zodat de kandidaat zijn website tijdig kan actualiseren. De basis voor de ballotage is de website van de kandidaat, die er voor zorgt dat die website op het moment van ballotage een volledige indruk geeft van werk, professionaliteit en activiteiten, inclusief cv.

Werkend lid
De vereniging is een beroepsorganisatie en zij bestaat voor het overgrote deel uit actieve leden. Zij zijn ‘werkend lid’, betalen de volle contributie. Zij kunnen van alle privileges gebruik maken, aan alle activiteiten deelnemen en ontvangen het lijfblad Beelden. Ruimtelijk werkende beeldend kunstenaar met een gevestigde beroepspraktijk, de professionals die hun plaats in de kunstwereld en het culturele leven hebben gevonden, vormen de harde kern van de Kring.
De NKvB heeft een aparte ballotagecommissie die het werk van een aanstaand lid toetst. De ballotagecommissie bestaat uit vijf Kringleden uit verschillende disciplines om de professionaliteit en kwaliteit van het werk van de ballotant beoordelen op basis van een ingezonden papieren documentatie en/of de actuele gegevens op de eigen website van het potentiële lid. Ballotanten ontvangen de beslissing van het bestuur zo snel mogelijk na de uitslag van de ballotagecommissie. De uitslag wordt toegelicht; er wordt niet verder over gecorrespondeerd.
Werkende leden hebben stemrecht op vergaderingen, kunnen bestuursfuncties bekleden, hebben onbeperkt toegang tot alle ledengedeeltes van de website, ze ontvangen het magazine Beelden en kunnen inschrijven op alle tentoonstellingen die door de Kring georganiseerd zijn en opdrachten die op de website alleen voor leden toegankelijk zijn. (aanmeldingsformulier)

Aspirantlid
Een tweede actieve kunstenaarsgroep binnen de Kring wordt gevormd door de aspirantleden. Dat zijn kunstenaars die zich binnen twee jaar na hun academie/hogeschool-examen aanmelden. De Kring tracht academieverlaters op die manier een steun in de rug te geven in die moeilijke periode zo vlak na het verlaten van de academie. Afhankelijk van het oordeel van de ballotagecommissie, die de ruimtelijke kwaliteit van het academiewerk bekijkt, krijgt zo'n ballotant het aspirantlidmaatschap aangeboden met de mogelijkheid zich te ontwikkelen in de geriefelijk omstandigheid dat aangesloten te zijn bij onze beroepsorganisatie. 
Een aspirantlid betaalt bijna de helft van de gangbare contributie, heeft toegang tot het ledengedeelte van de website en ontvangt het magazine Beelden, het lijfblad van de NKvB. Aspirantleden hebben geen stemrecht op vergaderingen en ze verplichten zich aan te melden voor ballotage binnen een termijn van twee jaar na hun acceptatie als aspirantlid om zodoende in aanmerking te komen voor het volwaardige lidmaatschap. Komt het aspirantlid de eerste keer niet door de ballotage, dan kan er nogmaals ingezonden worden, mits dat binnen dezelfde termijn van twee jaar na het behalen van het examen is. (aanmeldingsformulier)

Vriendenlid
De Kring heeft geen donateurs, maar vriendenleden. Dat zijn mensen of instellingen die de driedimensionale kunsten en daarom zeker de NKvB een warm hart toedragen. Ze geven daar vorm aan door een ruimhartige financiële bijdrage van minstens 100 euro per jaar en leveren daarbij meestal ook een actieve bijdrage aan de Kring. Een vriendenlid ontvangt het magazine Beelden, de catalogi van de NKvB, heeft gratis toegang tot Kringactiviteiten waar niet-leden voor moeten betalen en wordt uitgenodigd voor alle tentoonstellingen, symposia en atelierbezoeken die de Kring organiseert. Een vriendenlid heeft wel toegang tot ledenvergaderingen, maar geen stemrecht (aanmeldingsformulier)

Bijzondere lidmaatschappen 
Niet zelden hebben twee professionele beeldhouwers een partnerrelatie. In dat geval ontvangt de partner, uiteraard na succesvolle ballotage, het volwaardig lidmaatschap tegen gereduceerd tarief. Voorheen hanteerde de Kring voor haar oudere, werkende leden het seniorenlidmaatschap. Dat was een volwaardig lidmaatschap eveneens tegen gereduceerd tarief. Vanaf 1 januari 2014 is daar een einde aan gekomen en betalen alle nieuwe werkende leden hetzelfde tarief, ongeacht hun leeftijd. Zodra een werkend lid geen gebruik meer maakt van alle diensten van de NKvB, is de overstap mogelijk naar het vriendenlidmaatschap.Ten slotte is er nog het erelidmaatschap. Dit gratis lidmaatschap is een privilege dat alleen mensen ten deel valt, die zich uitzonderlijk en met zeer veel verdienste hebben ingespannen voor de ruimtelijke kunsten.

Contributies per kalenderjaar:

Werkend lid > 180 euro per jaar

Aspirantlid > 95 euro per jaar

Vriendenlid > minstens 100 euro per jaar

Seniorenlid > 180 euro per jaar (voor leden die na 1-1-2014 de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt)

Partnerlid > 95 euro per jaar

Erelid > geen contributie

Ballotage
Door zich online aan te melden verklaart de ballotant op de hoogte te zijn van de voorwaarden en kosten van het lidmaatschap van de NKvB. De ballotant verklaart de lidmaatschapsinformatie te hebben gelezen en weet dat er aan ballotage kosten verbonden zijn. Bij de ballotage worden werk, cv en andere informatie op de website van de ballotant beoordeeld. De informatie op die eigen website moet actueel en op orde zijn, zodat de ballotagecommissie zich een helder beeld kan vormen van werk en activiteiten. Bij uitzondering en na overleg is ook mogelijk documentatie/portfolio met cv per mail te sturen naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..
De ballotagekosten bedragen 25 euro en dat bedrag dient voor de ballotagevergadering te zijn gestort op bankrekening NL61INGB0000286333 ten name van Nederlandse Kring van Beeldhouwers Amsterdam, onder vermelding van 'Ballotage' en de naam van de ballotant. 


Beëindigen lidmaatschap
Het lidmaatschap wordt aangegaan voor een kalenderjaar en wordt stilzwijgend verlengd. Opzeggen van het lidmaatschap dient uiterlijk in november van het lopende kalenderjaar te geschieden. De beëindiging gaat in op 1 januari van het kalenderjaar dat daarop volgt en ontslaat het lid niet van bestaande (betalings)verplichtingen.

 

Aanmeldingsformulier aspirantlid

Aanmeldingsformulier aspirantlid

van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers

 

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Atelieradres:

Telefoon:

Mobiel:

Emailadres:

Website:

Bankrekening:

Geboortedatum:

Opleiding:

Jaar afstuderen:

 

Ik ben op de hoogte van de voorwaarden en kosten die aan het aspirantlidmaatschap van de NKvB verbonden zijn. Ik heb alle lidmaatschapsinformatie gelezen en weet dat ik mij binnen twee jaar na acceptatie moet aanmelden voor kostenloze ballotage om mijn lidmaatschap voort te kunnen zetten als volwaardig werkend lid. Ik wacht met betaling van de contributie op de acceptgiro van de penningmeester van de NKvB.

 

 

(plaats)................................................... (datum)....................................

 

(handtekening) ....................................................

 

Print dit formulier en stuur het volledig ingevuld en ondertekend, samen met een kopie van het eindexamendiploma, per post naar:

 

Penningmeester van de NKvB

Frode Bolhuis

Jan Tooropstraat 1

1062 BK Amsterdam

Aanmeldingsformulier vriendenlid

Aanmelding vriendenlid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers

 

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Telefoon:

Mobiel:

Emailadres:

Bankrekening:

 

De bijdrage als Vriendenlid van de NKvB van minstens het basisbedrag van € 75,- per kalenderjaar kunt u storten op rekening 286333 ten name van Nederlandse Kring van Beeldhouwers Amsterdam onder vermelding van 'Vriendenlid'.

 

 

(plaats)...................................................

 

(datum)....................................

 

(handtekening) ....................................................

 

 

Print dit formulier en stuur het volledig ingevuld en ondertekend per post naar:

 

Penningmeester van de NKvB

Frode Bolhuis 

Jan Tooropstraat 1

1062 BK Amsterdam

Aanmeldingsformulier werkend lid

Aanmeldingsformulier ballotage

werkend lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers

 

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Atelieradres:

Telefoon:

Mobiel:

Emailadres:

Website:

Bankrekening:

Geboortedatum:

Opleiding:

Jaar afstuderen:

 

Door in te zenden verklaart u op de hoogte te zijn van de voorwaarden en kosten van het lidmaatschap van de NKvB. U heeft de lidmaatschapsinformatie gelezen en weet dat er aan ballotage kosten verbonden zijn. Bij de ballotage wordt werk, cv en andere informatie op uw website bekeken, zorg er voor dat de informatie op uw website in orde is, zodat de ballotagecommissie een goede indruk krijgt van uw werk en activiteiten. Heeft u geen website dan stuurt de ballotagesecretaris bericht om een documentatie/portfolio met cv in te sturen. Stort bij aanmelden 25 euro ballotagekosten op bankrekening 286333 ten name van Nederlandse Kring van Beeldhouwers Amsterdam, onder vermelding van 'Ballotage'.

 

(plaats)................................................... (datum)....................................

 

(handtekening) ....................................................

 

 

Print dit formulier en stuur het volledig ingevuld en ondertekend per post naar:

Ballotagesecretaris van de NKvB

Henk van Bennekum

Binnendams 75

3373 AC Hardinxveld-Giessendam

 

Lidmaatschap NKvB

Lid worden van de NKvB

Ballotage op professionaliteit, kwaliteit en motivatie

 Voor nieuwe leden kent de Nederlandse Kring van Beeldhouwers het normale lidmaatschap als werkend lid en het aspirantlidmaatschap voor academieverlaters. Lid worden kan alleen nadat de professionaliteit, de kwaliteit van het werk en de motivatie van de kandidaat getoetst is door een groep van minstens vijf Kringleden (ballotage). Academieverlaters kunnen onder voorwaarden tijdelijk lid worden na een 'milde' ballotage en tegen een gereduceerd tarief. Daarbij kent de NKvB ook nog het vriendenlidmaatschap zonder ballotage.
Er zijn vier ballotagemomenten per jaar: in week 4, 17, 34 en 47. De basis voor de ballotage is de website van de kandidaat, die er voor zorgt dat de site op het moment van ballotage een professionele en volledige indruk geeft van de activiteiten van de kandidaat.

Klik op een van de onderstaande links voor meer informatie en een aanmeldingsformulier.

Lid/aspirantlid worden?

Vriendenlid worden?

no WW

 

WW

Toegangscode/wachtwoord kwijt? Klik hier

Wel lid, niet zichtbaar in de ledenlijst, geen toegang tot ledeninformatie? Klik hier

Lid worden? Klik hier

Vriendenlid worden? Klik hier

Wat is en wat doet de Kring

Welkom op de website van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers 
(English)

LID WORDEN? Aanmeldingsformulier of lees eerst meer informatie
BECOME A MEMBER? Registration form or read more about the Dutch Society of Sculptors.

Organisatie
De Nederlandse Kring van Beeldhouwers is de enige landelijke vereniging van professionele, driedimensionaal werkende beeldend kunstaars met ongeveer 180 leden. Opgericht als een belangenvereniging voor beeldhouwers, streeft de vereniging ernaar de belangstelling voor de driedimensionale kunst in en buiten Nederland te vergroten en de onderlinge contacten tussen haar beroepsmatige beoefenaren te bevorderen. De NKvB zet zich in voor de belangen van de ruimtelijke kunsten, en die van de Kringleden in het bijzonder. Het organiseren van tentoonstellingen en symposia is een belangrijk aspect van het beleid, evenals de belangenbehartiging van de leden. In het verlengde daarvan biedt de NKvB de leden juridisch advies en hanteren we een keurmerk voor expositiegelegenheden, worden er kortingen bedongen bij leveranciers en verkooptentoonstellingen georganiseerd.

Historie
In 1918 is de Nederlandse Kring van Beeldhouwers opgericht als eerste en enige landelijke beroepsvereniging van beeldhouwers. Beeldhouwers als Mendes da Costa, Mari Andriessen, Hildo Krop, Raedecker en Wenckebach waren leden van het eerste uur. Zij voelden een grote behoefte om de krachten van beeldhouwers te bundelen en zelf zaken te organiseren, die andere culturele instellingen lieten liggen. Zij zagen in dat de beroepspraktijk van ruimtelijk werkende professionals zich duidelijk onderscheidt en in alle opzichten ontzettend veeleisender is, dan die van andere professionele beeldend kunstenaars. De Kring voorzag in expositiemogelijkheden, tentoonstellingen voor leden, onderlinge ontmoetingen en collegialiteit, in symposia en (inter)nationale plaatsen, waar leden en niet-leden hun werk konden tonen; en dat doet de NKvB nog steeds met veel toewijding. De Kring biedt zich ook aan als professionele adviesorganisatie voor overheids- en semi-overheidsinstellingen bij het analyseren, prepareren en begeleiden van opdrachten, tentoonstellingen en de plaatsing van beelden in de openbare ruimte.

Kringlidmaatschap biedt veel voordelen
Werkende leden van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers hebben uiteraard rechtstreeks toegang tot de expertise van hun 175 collega's, die ze altijd kunnen benaderen met vragen of voor advies. Kringleden hebben recht op gratis juridisch advies en krijgen korting bij een groeiende lijst van materiaalleveranciers, constructeurs en gieterijen. De leden en vrijwilligers van de NKvB hebben gratis toegang tot alle Kringactiviteiten zoals atelierbezoeken, symposia, tentoonstellingen en festiviteiten, zoals de jaarlijkse nieuwjaarsbrunch en de nazit van de ledenvergaderingen. Alle leden en vrijwilligers van de NKvB ontvangen gratis het enige magazine voor de driedimensionale kunsten in het Nederlandse taalgebied Beeldenmagazine. Sinds 2015 staat het lidmaatschap, uiteraard na ballotage, ook open voor buitenlandse beroepsbeeldhouwers, die niet in Nederland wonen en werken.

LID WORDEN? Klik hier 
VRIENDENLID WORDEN? Klik hier

Beknopte geschiedenis en artikelen over het rijke verleden van de NKvB vindt u op de Geschiedenispagina, inclusief overzichten van voormalige NKvB-leden
Vragen over de vereniging? Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Kopij, uitnodigingen en suggesties ontvangen we graag op Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.">
Technische opmerkingen kunnen gemaild worden naar de Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.">
Via de hoofdmenukeuze Contact kunt u aan ieder bestuurslid rechtreeks een bericht sturen.




Subcategorieën